Albanië bruskeert opnieuw de buitenwereld

Albanië trekt zich niets aan van de kritiek, die vanuit de internationale gemeenschap is geuit op de recente parlementsverkiezingen. Sterker: het bruskeert de critici, en dan vooral de Amerikanen, met wie de relaties tot voor kort uiterst hartelijk waren.

Bij de verkiezingen voor de nieuwe Kuvendi Popullor, zoals het Albanese parlement heet, won de regerende Democratische Partij (DP) van president Sali Berisha op 26 mei en 2 juni 85 procent van de zetels: 122 van de 140. De socialistische - ex-communistische - partij PSSh is formeel met tien zetels in het parlement vertegenwoordigd, maar omdat de socialisten zich al op de eerste dag van de verkiezingen terugtrokken uit protest tegen de talrijke onregelmatigheden, zitten die tien socialisten - als ze zich al in het parlement vertonen - er niet namens hun partij. De resterende zetels werden gewonnen door de Republikeinse Partij (drie), de Partij voor de Verdediging van Mensenrechten en Vrijheden, die de Griekse minderheid vertegenwoordigt (drie) en de nationalistische Balli Kombëtar (twee).

Na de verkiezingen kreeg Albanië een stortvloed van kritiek over zich heen over manipulaties, geweld tegen oppositiekandidaten en andere onregelmatigheden. De parlementaire assemblee van de Europese Veiligheidsorganisatie OVSE en diverse regeringen, waaronder de Amerikaanse, eisten nieuwe verkiezingen - een eis die door de Albanezen prompt van de hand werd gewezen, omdat, zoals president Berisha is blijven volhouden, van onregelmatigheden geen sprake was geweest. De Raad van Europa drong aan op een ronde-tafelgesprek over nieuwe kiesregels, een suggestie die door DP-leider Tritan Shehu als 'kinderachtig' werd verworpen. De Albanezen organiseerden wel nieuwe verkiezingen in zeventien kiesdistricten waar de onregelmatigheden wat al te zeer uit de hand waren gelopen, maar weigerden verdere concessies. De Amerikaanse diplomaten in Tirana boycotten - in tegenstelling tot de meeste Europeanen trouwens - op 1 juli de opening van het nieuwe parlement om aan te geven dat zaak nog niet is afgesloten. Begin juli trad in Tirana een nieuwe regering aan, net als de vorige geleid door premier Aleksander Meksi, met DP-voorzitter Tritan Shehu op Buitenlandse Zaken. Op een na alle ministers zijn lid van de DP.

De verkiezingen hebben inmiddels geleid tot een diepe crisis binnen de oppositionele socialistische partij, waarvan de leider, Fatos Nano, die door Berisha's bewind gevangen is gezet, tracht democratische hervormingen door te voeren die door zijn vervanger en zaakwaarnemer Servet Pellumbi worden afgewezen. Vanuit zijn cel heeft Nano zijn tegenstanders binnen de partij uitgemaakt voor “zondaars” en hen beschuldigd van “middelmatigheid, laagheid, ijdelheid, een storend gebrek aan vermogen tot dialoog, en angst voor vrije keuze, alternatieven en concurrentie van denkbeelden”. De PSSh, aldus Nano, “lijdt aan dezelfde ziekte waaraan alle partijen in Albanië lijden: een bureaucratisering waarmee wordt gepoogd de emancipatie van burgers te verhinderen.”

De buitenlandse kritiek op de verkiezingen heeft diepe sporen nagelaten en zelfs tot een crisis geleid in de verstandhouding tussen het bewind van Berisha en het buitenland. Berisha heeft zich er niet toe beperkt de kritiek af te wijzen. Hij ging verder: midden juli weigerde hij een Amerikaanse bezoeker te ontvangen, onderminister van Buitenlandse Zaken Timothy Wirth, die hij twee maanden eerder nog had gefêteerd. Nu had Berisha opeens “geen tijd” en “belangrijker dingen op zijn agenda” om Wirth te kunnen ontmoeten. Dat was een meer dan duidelijk signaal, temeer omdat het uitdrukkelijke doel van Wirths bezoek aan Albanië de hervatting van de dialoog tussen Washington en Tirana was.

Het onafhankelijke blad Koha Jonë concludeerde dat Berisha “de betrekkingen met de VS transformeert tot een persoonlijke inat”. Inat, een woord dat in veel talen van de Balkan voorkomt, is wellicht het best te vertalen als 'minachtende uitdaging'. Later had Berisha, vanuit dezelfde inat, ook geen tijd voor een andere oude bekende, de Amerikaanse senator Eliot Engel.

Ook regeringsgetrouwe media in Albanië maken er geen geheim van dat de kritiek hun trots ernstig heeft gekwetst. Het nieuws dat de OVSE nieuwe verkiezingen eist werd door het televisiejournaal gebracht na een bericht over nieuwe vuilnisbakken, een bericht over een bomenkwekerij en een de dag tevoren al uitgezonden reportage over een bijeenkomst van de socialistische partij. En toen het eindelijk aan de beurt kwam, werd het slechte nieuws geweten aan de “Griekse lobby in Amerika” en “Europees links”.

De buitenlandse critici zijn althans voorlopig niet geneigd hun vroeger zo gewaardeerde partner Berisha met rust te laten. Begin deze week herhaalde de woordvoerder van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, Nicholas Burns, nog eens voor de duidelijkheid dat Washington nog steeds nieuwe parlementsverkiezingen eist en zei een andere woordvoerder van het State Department dat, als de Albanese regering in gebreke blijft, “de Verenigde Staten hun banden met Albanië, inclusief de financiële hulp, zullen heroverwegen”.

Eind vorige week was Europees Commissaris Hans van den Broek even in Tirana. Zijn boodschap - in zijn woorden: “Albanië krijgt hulp, maar de EU maakt geen compromissen met schendingen van de democratie.” Van den Broek sprak in de Albanese hoofdstad met leiders van de grote politieke partijen, inclusief drie leiders van de Democratische Partij. Koha Jonë wist de dag daarna slechts twee details van het gesprek te melden, die evenwel beide veelzeggend zijn: in tegenstelling tot de verwachtingen en de normale praktijk wilden de drie DP-gesprekspartners van Van den Broek na afloop niets kwijt over het gesprek; en hun gezichten stonden “niet erg vrolijk”.