Aardappelveld

Op het ogenblik is bij mij thuis Herman aan het werk. Herman is druk met groeien en zich ontplooien. Daarvoor moet hij af en toe eten krijgen en hij moet omgeroerd worden. Herman huist in een ruime schaal, vanwege de groei, onder een theedoek in de keuken. Herman is een natuurlijk gistend deeg dat in tien dagen uitgroeit tot cakebeslag.

Het leek me eerst nogal omslachtig. In de kast staan zakjes droge gist die zonder verdere toevoegingen een deeg in een uur al flink laten rijzen en die geen tien dagen kost en inwoning nodig hebben. Maar nu, het is Hermans vijfde dag, hij heeft gisteren voor het eerst gegeten (bloem, suiker en melk), denk ik daar anders over. Ik ben een beetje aan Herman gehecht geraakt. Ik roer hem graag om. Ik hou van zijn zachte bubbelige groei, hoe hij uiteenvalt en zich tot iets nieuws en glads samenvoegt om mijn houten lepel, en zelfs aan zijn eigenaardige wat zure lijfgeur ben ik gewend.

Het leuke van Herman, waar je bij zo'n dor zakje gistkorrels niet om hoeft te komen, is dat hij leeft. En het andere leuke van Herman is dat je hem, uiteindelijk, kunt opeten. Herman leeft, groeit, produceert en is eetbaar. Daarmee is hij dus een soort moestuin - wat toch de oertuin is. De moestuin moet net als Herman verzorgd worden en dat doet men met liefde, maar wel met het oog op resultaat.

Het is een eerlijke afspraak. De tuinier zorgt, wiedt en sproeit, de plant groeit, en als beloning voor beider inspanning wordt er gegeten. Misschien zou het hoogstaander zijn om van een plant te genieten zonder aan lunch of diner te denken. Maar het vooruitzicht van eten maakt alles zoveel verheugender en zinvoller.

Ik heb geen moestuin, ook geen gewone tuin en het is misschien ook daarom dat ik het eten-uit-eigen-kweek zo hoog aansla. Wie dat voor elkaar krijgt, die heeft het leven in de hand. Die kan voor zichzelf zorgen. Die is competent. Want wat is het niet knap dat iemand gave sla produceert, sterke raapsteeltjes, tuinboontjes in met fluweel gevoerde peulen, knapperige wortelen en zachte framboosjes. Poëzie uit eigen grond.

Mijn eerste moestuin was, zoals bijna ieders eerste moestuin, een eierdopje waarin een nat lapje gevouwen werd waarop, oh wonder, na enige tijd tuinkers groeide. De eerste beschuit met eigen tuinkers - een onherhaalbare lekkernij. Want al is de tuinkers niet uitgestorven, het wonder, dat toch de helft van de smaak uitmaakte, is wel verdwenen.

Op het eierdopje volgde het schooltuintje. Daar kwamen helemaal volgens de beloftes wortelen uit, bossen zo enorm dat zelfs ons zeskoppige gezin ze maar met moeite wegkreeg, en verder boontjes waar iets mee was, bruine plekken of gaatjes, radijsjes, geen mais want die had ik onervaren weggewied zodra hij zijn kop boven de grond stak, wat eeuwig jammer was want een eigen maiskolf, vers uit de tuin, met boter en zout, zou een mooie culinaire herinnering geweest zijn. Maar het hoogtepunt waren, blijven en zijn: aardappelen.

Een aardappelveld is een saai en weinig opwindend gezicht, maar een hoekje zelfgepote aardappelen, daar gaat niets boven. Niet omdat ze dan ineens zo mooi zijn, al zijn ze ook weer niet lelijk, maar omdat zo'n hoekje meteen bijzondere tafelvreugden belooft. De aardappel is een groente, misschien wel de enige, waar ook kinderen al dol op zijn, zodat een aardappel meteen een reeks prettige eetherinneringen oproept. Aan patat met, aan in het vuur gepofte aardappelen op het strand, aan mijn grootmoeder die bij wijze van toetje wel eens een aardappeltje met boter en zout toestond.

Het aardappelhoogtepunt van mijn leven beleefde ik in Drenthe waar ze uit een moestuin van vrienden van mijn ouders kwamen. Ik was een jaar of negen en in mijn herinnering zijn de stilte van het platteland, de zonsondergang boven een korenveld, het woord 'bedstee', de geur van gras en deze aardappelen één grote romantische verbintenis aangegaan die, nog altijd, opgeroepen kan worden door een aardappel uit eigen moestuin. Zo'n aardappel vertegenwoordigt vrede en geluk - en hij is onweerstaanbaar lekker.

Onlangs viel het aardappelgenot nog weer eens te beleven dankzij een moestuinierende vriend die een allerliefste ronde soort meebracht. Ze geurden naar aarde (dat lijkt heel gewoon, maar wie wel eens aan zo'n plastic zak met supermarkt-bintjes heeft geroken weet dat het ook anders kan), ze hadden prille dunne schilletjes, bleken stevig en vol van een lenteachtige smaak en ze verwierven zich al snel een reputatie als tractatie, eenvoudig lauwwarm opgediend met een beetje vinaigrette en ringetjes groen van een voorjaarsuitje. Maar ook puur, of op grootmoederlijke wijze roepen ze hele moestuinen op - en korenvelden, bedsteden, zonsondergangen, geluk.

Pogingen om op het eigen, slechts sporadisch door de zon bezochte balkon het moestuingevoel op te roepen zijn tot nu toe niet zo succesvol. De oostindische kers won aan glans toen bekend werd dat je hem op kon eten, maar de hordes luizen die er overheen krioelen maken dat vooruitzicht minder aantrekkelijk. Natuurlijk kun je die afwassen, maar een luis nestelt zich al gauw in de geest en blijft dan in gedachten door de sla wriemelen wat veel aan de gevoelens van rust en vrede afdoet.

Naast die luizige oostindische kers staat een zieltogende aalbes, die vorig jaar wel groen gaf maar geen bes, reden waarom hij in de winter op het balkon is verwaarloosd wat vermoedelijk zijn redding is geweest, want had hij water gekregen dan was-ie doodgevroren. Dit jaar heeft hij hete kolen op mijn hoofd gestapeld door in het voorjaar schuchter een bepaald soort groen groeiseltje te vertonen waaruit wel besjes moesten komen - en ja. Vijftien bessen. Die waren snel op, en nu staat hij dor en bruin bloot aan mijn vertoornde blikken en moet geregeld overwegingen aanhoren om hem op te doeken - wat ik tegelijkertijd moeilijk over mijn hart kan verkrijgen, want al is hij nu lelijk en stom, hij heeft toch maar die vijftien bessen gegeven. Het laatste lid van deze nogal armetierige thuismoestuin, de tomaat, heeft het geduld ook erg op de proef gesteld, en doet dat eigenlijk nog. Weliswaar kwam hij al snel met ontroerend prille blaadjes, maar verder kwam hij lange tijd met niets. Nu heeft hij wat serieuzer blad ontwikkeld. Het wachten is op verrukkelijke kleine kerstomaatjes. Mocht hij daaraan beginnen, dan zal ik in liefde zeker niet langer tekort schieten. Vooralsnog is Herman de meest levenslustige van de hele moestuin. Was hij maar een aardappel.