Zondag

De zondag was een feestelijke dag, die bij de zondagsschool, de geur van 4711 en vanillepudding hoorde, bij eenendertigen en het slagroomtaartje met de kers. Juist omdat hij altijd hetzelfde was en het programma nooit werd gewijzigd, had hij iets van een vertrouwd en dierbaar ritueel, dat begon met de zondagse jurk en de zondagse zijden strik in mijn haar.

Toen ik zeven werd kwam daar nog de zondagsschool in de Rembrandtstraat bij - een klein, schemerig zaaltje met zand op de vloer en de vage lucht van kattepies. Ik verveelde mij er onuitsprekelijk, maar omdat het met een bijzondere dag had te maken liet ik me lijdzaam meevoeren op de klanken van het harmonium, dat door juffrouw Dollee werd bespeeld, en op het sonore stemgeluid van meneer Dollee, die achter een groene katheder met een glas water, waar hij zonder op te kijken af en toe een slok van nam, uit de bijbel voorlas.

Na het zingen en het bidden en de collecte was het eindelijk voorbij en haastte ik me naar het huis van mijn grootmoeder, vlak in de buurt, waar ze met haar twee dochters woonde en mijn ouders en het gezin van mijn oom en tante inmiddels waren gearriveerd. Beneden aan de trap rook het naar vanillepudding en boven zat de familie aan de koffie, met het koektrommeltje 'Groeten uit Zwolle' op tafel en de fles 4711 binnen het bereik van schone witte zakdoeken.

Klokslag twee uur rees men als bij stilzwijgende afspraak overeind en begaven mijn oom en tante zich met mijn nichtjes naar de diergaarde, waarvan ze lid waren, en wandelden wij, die nergens lid van waren, naar de stad. Elke week liepen we via de Zomerhofstraat en de Ridderstraat naar de Coolsingel, waar we de drukke kant langs de cafés en lunchrooms namen - sommige met een strijkje of een damesorkest - die we helaas nooit betraden, en vervolgens door de Passage of de Boymansstraat naar het Van Hogendorpplein. Daar bleef mijn moeder, die een voile voor haar gezicht had en, behalve een roodvos met een dikke pluimstaart en glazen ogen om haar hals, een mof van hetzelfde bont ter hoogte van haar maag droeg, langdurig met haar voorhoofd tegen de etalageruit van Gerzon staan. Vervolgens staken we over naar de Blaak, waar zij zich weer in dezelfde houding voor de modezaken van Both en Lampe opstelde, terwijl mijn vader en ik op haar wachtten bij Meier en Blessing, een enorme winkel, of liever een sprookjesachtige ruimte, met onbereikbaar duur speelgoed. Bij de Beurs keerden we langs het Westnieuweland en de Oppert naar grootmoeder en de tantes terug, bij wie we 's zondags aten en moe en hongerig om vier uur op de thee kwamen.

Na de overvloedige maaltijd, met als toetje de vanillepudding die ik 's morgens al had geroken en waarop ik me de hele middag had verheugd, zat iedereen zo'n beetje te dommelen en ging tante Toos in de keuken strijken. Met mijn uitgeschopte lakschoenen onder de stoel keek ik naar de klapwiekende duiven in de kruin van de iep die een onderkomen voor de nacht zochten, en naar de indrukwekkende gestalte van dominee Krop, die zich met hoge hoed en waardig zwart sikje te midden van de in donkere kleren gehulde kerkgangers naar de Noorderkerk om de hoek begaf, van waaruit de klanken van het preluderende orgel door het openstaande wc-raampje aan het eind van de gang tot in de kamer doordrong.

Om zeven uur verplaatsten we ons met grootmoeder en de tantes van hun huis naar het onze. Onderweg kocht mijn vader bij Verhaven de taartjes met de kers waarop hij gewoontegetrouw trakteerde, en terwijl we ons niet in de gewone huiskamer maar in de mooie voorkamer, die voor deze speciale gelegenheid eenmaal in de week werd ontsloten, om de tafel schaarden, haalde hij het spel kaarten uit de buffetla en klemde mijn moeder de lekker ruikende koffiemolen tussen haar knieën, die knarsend en krakend de bonen vermaalde. De rest van de avond werd er geëenendertigd, en zodra het taartje op was moest ik naar bed, en duurde het nog een eindeloze week voor het weer feest was. Eén keer - het moet eind april, begin mei zijn geweest - deed zich juist op zondag iets voor dat volkomen van de vaste regels afweek. Want terwijl ik na het eten, met mijn dommelende familieleden in het stille vertrek en tante Toos in de keuken, naar een stel jongens en meisjes zat te kijken die met slingers narcissen om het stuur van hun fiets luidruchtig voorbijreden, besefte ik plotseling dat de zitting van mijn stoel steeds warmer en vochtiger werd. Niets vermoedend liep ik intuïtief naar de wc, waar ik ontsteld bij de aanblik van al dat bloed dwars door het dreunen van het orgel uit de Noorderkerk om tante Toos riep.

Niet in het minst verbaasd loodste ze mij naar de keuken en zei zonder verdere uitleg dat het een heel normaal verschijnsel was dat bij meisjes en vrouwen iedere maand terugkwam. Hoewel reeds door vriendinnetjes van het een en ander op de hoogte gebracht, vond ik het een afschuwelijk gebeuren en voelde me verward en teleurgesteld omdat het me eerder was overkomen dan ik had gedacht, en ik voortaan anders zou zijn dan ik was geweest. Deze veronderstelling werd nog eens door mijn moeder bevestigd, die zich hevig ontdaan toonde over de vlek in het plissé van mijn zondagse jurk en onder de uitroep: “Elf jaar! Ik kreeg het pas op mijn dertiende!” met het verontreinigde kledingstuk over haar arm de trap afliep om bij ons thuis schoon goed te gaan halen.