Zomaar ineens de dood in handen; Erotiek en mystiek in dichtbundel Maria van Daalen

Maria van Daalen: Het geschenk // De maker. Uitg. Querido, 64 blz. Prijs ƒ 27,50.

Dit is de eerste regel die ik ooit van Maria van Daalen las: 'Hij haakt de ploeg zonder bijgedachten achter de tractor'. En dit de tweede: 'gaat op de tractor zitten, start en rijdt.' Dat is nog eens een voortvarend begin van een gedicht. En licht verrassend ook, want zoveel ploegen worden er in de Nederlandse poëzie nu ook weer niet achter startklare tractoren gehaakt. Het waren de beginregels van 'Bouwland' dat met nog drie gedichten het begin van Van Daalens oeuvre vormde: de reeks 'Onder het mes', eind 1987 in een bibliofiele uitgave verschenen.

De reeks bevatte portretten van mensen die beroepshalve het mes hanteren: de boer op de klei met zijn kouter, de hertenvilder die routineus het hert van zijn vacht ontdoet, de chirurg die bedaard een kankergezwel wegsnijdt. Harde, om niet te zeggen scherpe thematiek, maar koel beschreven, met een zweem van bewondering voor de rust en de doelgerichtheid van de vakman.

Het was jammer dat er op deze drie sterke gedichten nog een vierde moest volgen, 'Tekst' getiteld. Dat kreeg vanzelf (al was het alleen maar omdat het het laatste was) het karakter van een uitleg of een hogere waarheid. Bij wijze van poëticale verontschuldiging, of verantwoording, kwam daarin het gedicht zelf op tafel - en onder het mes. In tegenstelling tot de akker, het hert en de tumor bleek het gedicht niet opengelegd, danwel gegeten, danwel genezen te kunnen worden. 'Eenzaam' staat het gedicht op het blad, met letters die 'niet willen wijken / om de eenheid te onthullen.'

Dit schema heeft de poëzie van Van Daalen sindsdien niet meer verlaten. Aanschouwelijkheid en anekdotiek zijn bij haar ondergeschikt aan een idee. De autonomie van het gedicht is vaak de conclusie, en vermoedelijk vaak ook wel het uitgangspunt, van haar dichterlijke zoektochten. Zodat er, om in haar beeldspraak te blijven, vaak ontoegankelijkheid op het menu staat, ook letterlijk. Het gedicht is 'wat niet gegeten kan worden' en naast het bord bevindt zich 'een messelegger voor een dromer'.

Een taaie hap, waar je gemakkelijk je tanden op stuk kunt bijten, dat is Van Daalens poëzie dus. In haar officiële debuut Raveslag (1989) werd na de openingsreeks 'Onder het mes' de lijn van het harde, kale, autonome, ontoegankelijke gedicht voortgezet, met duidelijke invloeden uit de zogenoemde hermetische school. In haar volgende bundels, Onder het hart (1992) en Het Hotel (1994) leek zij zich iets meer vrijheid te willen veroorloven: meer 'lichamelijkheid' en meer 'mystiek', maar daarom nog niet minder abstract en duister. Hans Faverey viel in allerlei wendingen te herkennen, maar dan zonder diens lichtvoetigheid en humor.

De indruk van humorloze ernst kleeft ook haar vierde bundel, Het geschenk // De maker, aan. Het is zo te zien een zorgvuldig gecomponeerd geheel, met vier cycli en vijf omarmende gedichten, en met zelfs een reeks in de vorm van een rozenkrans (te ingewikkeld om uit te leggen; zie de plattegrond achterin de bundel), maar toch zou ik na lezing niet met zekerheid durven te beweren wat nu bijvoorbeeld het geschenk uit de titel is en wie de maker, en dus ook niet wat de met twee schuine strepen aangegeven relatie tussen die twee is.

Wie, in tegenstelling tot de dichteres, niet teveel in abstracties wil blijven steken, krijgt het hier moeilijk. Zo is er bijvoorbeeld een gedicht waarin een 'ik' van iemand anders (een 'jij') de lichamen van twee dode baby's wil overnemen. Een droevig gegeven, maar verder blijft de geschiedenis van deze kinderen onvermeld. Het gaat om 'twee donkerharige kinderen' en ze zijn 'gewikkeld in een blauwe wollen doek'. Blijkbaar moeten we weten dat ze van 'identiek geslacht' zijn, maar om welk van beide geslachten het gaat, blijft dan weer onduidelijk. Dit soort losse mededelingen en beelden is in Van Daalens gedichten vaak te vinden.

De 'ik' meent de kleine doden te kunnen dragen omdat hij of zij 'immers halverwege pijn en licht staat'. Ook dat 'immers' wordt niet nader verklaard. Is deze 'ik' een pastoraal werker? Zijn of haar vaag-zalvende toon lijkt er op te wijzen. Of gaat het hier om een dichter die, in taal, dus in figuurlijke zin, de levens van deze kinderen kan overnemen? Een mythologische gestalte misschien, een Orpheus-achtige die al bekend is met de wereld van de dood? Of spreekt hier een moeder aarde? Zij biedt gewillig aan ('Wees niet bang, ik weet de weg') de kinderen mee de grond in te nemen. Is hij of zij een god of godin, of anderszins een wonderdoener? Want in de slotregels blijkt de 'ik' ondergronds opeens de weg te weten 'in het lichaam' en aldus zelfs weer terug te kunnen keren (mét de kinderen, neem ik aan) 'naar het hart'. Dat is een mooi einde, maar zou degene die de kinderen moet overhandigen het zaakje wel vertrouwen?

Van Daalen schrijft niet het soort gedichten dat vraagt om zulk nuchter gelees. Boven haar verzen hangt de suggestie van de allegorie: het zal allemaal wel symbool zijn voor iets anders.

Maar het ingewikkelde is dat het daarboven vaak om meer dan één allegorie lijkt te gaan. Er zijn toespelingen op Griekse mythen en bijbelverhalen. Soms draait het om de autonomie van de tekst ('de taal die ik ben'), soms ook om hevige gemoedsbewegingen ('ik spring van mijzelf weg in mijzelf'). Er is volop erotiek en aandacht voor 'het lichaam' (dijbenen vooral, en bloed) en er wordt veel gebruik gemaakt van het idioom van de mystiek. Maria, Moeder Aarde, aarde, grond, dood: er zit ook een elementaire, archetypische kant aan deze gedichten. Het probleem is dat het hier allemaal naast elkaar staat, of drijft, in één metaforische soep met beweringen als 'lichaam / is de ziel van aarde, als mijzelf / leegloopt zing ik je los in zijn handen.' En ook, even duister en even pathetisch: 'schreeuwend zonder bezit / is het lichaam de taal, het verstaan.'

Dan is de Van Daalen zoals die zich in haar eerste gedichten uitsprak mij liever: strak, scherp, koel observerend, zonder vage zwemen. In de afdeling 'Albumblad' staan vier mooie gedichten: jeugdherinneringen, vol dreiging en ook wel vol doodssymboliek, maar zonder dat het een opgelegde indruk maakt. Tot deze soort behoort ook het hierbij afgedrukte gedicht, afkomstig uit de slotafdeling. Daarin is Van Daalen voor haar doen zelfs opmerkelijk luchtig, met montere constateringen als 'Het is een hert, zeker, dat spreekt' en laconieke overwegingen als 'Mee naar huis nemen? Voor boven de voordeur?' De onuitgesproken strekking van het gedicht is onthutsend: je denkt aan een tak te trekken, en je hebt zomaar ineens de dood in handen. Eén hertenschedel, reukloos, onopvallend, aan de oppervlakte, in het voorbijgaan aangetroffen: het is een sterker en sprekender beeld voor de dood die overal voortdurend op de loer ligt dan al dat allegorische verdwijnen in moeders aarde of anderszins oplossen in kosmische lichamen.

Ik trek het gewei aan een tak uit de grond

en staar verbaasd naar de op handen zijnde schedel.

Het is een hert, zeker, dat spreekt.

Langs de breuklijnen is mos gekropen

de kaken vermalen aarde

en aarde blijft achter waar de strot begint

en het hoofd ophoudt. Ik slik hoorbaar

en spoel het bot voorzichtig in de beek.

Mee naar huis nemen? Voor boven de voordeur?

De dood is reukloos, met kauwvlakken

van danig gehavend ivoor. Ik tel

één schedel, ondiep weggelegd.

UIT: MARIA VAN DAALEN, HET GESCHENK // DE MAKER