Verlangen naar toevallig geweld; François Bon schrijft gemengde berichten over de zelfkant

Het etiket 'geëngageerd auteur' staat Francois Bon niet tegen, maar hij wil geen hedendaagse Sartre zijn. Zijn romanpersonages bevinden zich aan de zelfkant: aan de drugs of in de gevangenis. “Net als de auteurs van de Griekse tragedies gebruik ik hen om me in mijn eigen persoonlijkheid een weg te banen.”

François Bon. Gemengde berichten. (Un fait divers) Vert. Marianne Kaas. Uitg. Van Oorschot, 127 blz. ƒ 29,90 (ingenaaid), ƒ 44,90 (gebonden). François Bon: C'était toute une vie. Uitg. Verdier. Prijs 75 FF.

Het is een hard universum, waarin de schrijver François Bon opereert. Zijn hardste boek is misschien wel Un fait divers, als eerste nu in het Nederlands verschenen onder de titel Gemengde berichten. Het is een vanuit het gezichtspunt van meerdere personages verteld verhaal van een man, die per bromfiets de zeshonderd kilometer van Marseille naar Le Mans overbrugt, op weg naar zijn weggevluchte vrouw. Zij wil scheiden en heeft haar toevlucht gezocht bij een vriendin. Wanneer de man zijn vrouw heeft gevonden, bindt hij haar vast aan de verwarmingsradiator, samen met de vriendin en een toevallig in het appartement aanwezige verwarmingsmonteur en foltert het drietal met een schroevendraaier, dagenlang.

Gemengde berichten is fictie, maar het is verleidelijk de inhoud van het boek met zijn schrijver in verband te brengen. Het speelt zich af aan de rand van de samenleving, waar de sociaal-economische klappen vallen, en de mensen het ongelukkigst zijn. François Bon kent die rand goed, al was het maar omdat hij al vele jaren 'schrijfwerkgroepen' geeft, in opdracht van de reclassering of sociale dienst of in gevangenissen. De suggestie dat hij als schrijver de stem van de verworpenen der aarde is, wijst hij echter ferm van de hand.

“François Bon laat de verschoppelingen aan het woord. Nee dank u wel, zó wil ik niet in een krant”, zegt hij. We zitten in een schamel restaurant in Montpellier en eten gebraden kip. Bon kent de zwaar getatoeëerde patroon en diens vrouw door zijn werk in de gevangenis en de reclassering van deze Zuidfranse stad, en informeert belangstellend naar wederzijdse kennissen - in of uit de gevangenis, nog in de psychiatrische inrichting of daaruit alweer ontslagen?

Bon is 43 en vader van vijf kinderen. Binnenkort verhuist hij met zijn gezin naar de stad Tours. Ook daar is een gevangenis, ook daar zijn wat hij 'sociaal fragiele' mensen noemt, die kunnen deelnemen aan de schrijf-werkgroepen (ateliers d'écriture). Bovendien is Tours dichter bij Parijs, waar het literair bedrijf van Frankrijk is geconcentreerd en dus wellicht voor de schrijver - zijn oeuvre omvat inmiddels elf titels - ook op een andere manier nog wat bij te verdienen valt met lezingen, fora enzovoort. Want Bon wil niet als een mensenvriend, of als sociaal werker te boek staan, maar als een literair auteur. “Mijn blik als schrijver op de wereld is gevormd door de cultuur die ik heb opgedaan, door de boeken die ik gelezen heb.”

Eigenwaarde

Het werk met de schrijfwerkgroepen fascineert hem zeer, maar het nut moet niet worden overdreven, vindt hij. “Het streven is om mensen door macht over de taal een zekere eigenwaarde te geven. Het gaat niet alleen om het schrijven. Wat ze schrijven wordt ook - met taal- en spelfouten en al - uitgetypt en afgedrukt. Zo kunnen de deelnemers zien dat de taal ook van hen is, dat hun belevenissen niet minder boeiend zijn dan wat er op de televisie is, of wat in de kranten staat.

“Maar zelfs als ze die ervaring hebben opgedaan, wil dat niet zeggen dat ze uit hun problemen raken. Op elke groep van vijftien deelnemers van mijn groepen in Montpellier zijn er misschien twee of drie die werk krijgen, een stabiele plaats vinden in het leven. Er zijn er veel die toch weer in de gevangenis belanden of weer aan de drugs gaan. Ik ontvang nog steeds regelmatig teksten van een vroegere werkgroepdeelneemster, Juliette, verstuurd vanuit een psychiatrische inrichting.”

Is het dan een toevallige bijverdienste geweest, die confrontatie met de ongelukkigen, de drugsgebruikers, de criminelen, de sociaal-verlorenen in al die werkgroepen die hem via Poitiers en tal van andere plaatsen in 1992 naar Montepellier brachten? Zo eenvoudig is het niet. “Ik heb geen andere keus dan naar de deelnemers in die werkgroepen te luisteren, kennis te nemen van wat ze schrijven. Mijn onderwerp is de stad. De deelnemers aan de schrijfwerkgroepen zijn voor mij ook een bron: zij laten zien hoe het stadse leven eruit ziet. Juist omdat het gaat om mensen die leven in omstandigheden waar het geschreven woord meestal geen toegang heeft.”

Bon heeft dit jaar zelfs een roman het licht doen zien (C'était toute une vie) die grotendeels bestaat uit teksten van één werkgroepdeelneemster. De roman is een pijnlijk nauwkeurige beschrijving van heden en verleden van Lodève, een grotendeels door zijn bevolking verlaten stadje op vijftig kilometer van Montpellier. De laatste resten welvaart en bedrijvigheid zijn daar verdwenen na de met veel linkse demonstraties afgedwongen sluiting van de uraniummijn. Bon heeft, naast zijn werk in Montpellier, ook in Lodève de afgelopen jaren een via de sociale dienst georganiseerde schrijfwerkgroep geleid. Pijnlijk is de beschrijving, omdat je al lezend zo helder voor ogen krijgt, dat in zo'n plaatsje de vroegere provinciaal-burgerlijke atmosfeer heeft plaatsgemaakt voor desolate verloedering en verval, waarbij hele flatgebouwen leegstaan. In die context is de hoofdpersoon-schrijfster tot een psychiatrisch geval geworden.

Wat Montpellier betreft, met zijn fraai gerestaureerde centrum, vrolijk kwetterende studenten en aangename klimaat: het grote aantal junks op straat geeft al aan dat er ook hier iets mis is. “Het werkeloosheidspercentage in deze stad is 34 procent, een van de hoogste van Frankrijk”, vertelt François Bon, thuis in zijn werkkamer. Hij woont niet in het monumentale centrum, maar in de voorstad, waar de bebouwing overgaat in industrieterreinen. “In de omringende stadjes en dorpen liggen de werkloosheidspercentages veel lager, in Lodève is het bijvoorbeeld maar acht procent. Iedereen die op zoek was naar werk, is naar de grote stad Montpellier gekomen. Daarom schrijf ik ook niet over het Franse platteland. Daar zijn weinig mensen over, en dus weinig problemen.”

Horror

Bij lezing van Gemengde berichten stolt de lezer af en toe het bloed in de aderen. Ondanks het toegepaste vertelprocédé (waarbij de slachtoffers en de dader aan het woord komen, maar ook anderen, zoals de auteur van het boek, een officier van justitie die de zaak onderzoekt en zelfs een regisseur die over het voorval een film moet maken) kent het boek bijna geen enkel moment van objectivering waarachter de lezer - op zoek naar een verzachtende, rationele verklaring - een beetje kan schuilen.

Zelfs de momenten in de monoloog van de dader, waar deze reflecteert over zijn daden, dragen nog bij aan de algemene horror, en niet alleen omdat Bon zich in zijn romans weinig gelegen laat liggen aan de gangbare grammatica. Zoals hij het taalgebruik van de werknemers aan zijn werkgroepen niet corrigeert als hij hun bijdragen afdrukt, is ook het taalgebruik van zijn romanfiguren niet altijd conventioneel: “Alles wat ik heb gedaan, ook die schroevendraaier in mijn hand, werd nu juist het bewijs dat ik ze niet waard was”, zegt de dader-hoofdpersoon. “De haat wordt dieper door het besef dat je er niets mee bereikt, door het besef dat hij onder zich de weg verhardt die scheiding en verwijdering brengt. Ik had wel willen huilen, maar wie zou zich mijn tranen hebben aangetrokken?” Dus foltert hij door.

Un fait divers is geen vrucht van Bons ervaringen in werkgroepen, maar heeft wel een basis in de werkelijkheid. Dit blijkt als de auteur een oud krantenknipsel van zo'n vijf jaar geleden opdiept uit een stapel papieren. Uit de rubriek 'faits divers' van de plaatselijke krant Le courrier de l'Est. De lange tocht per brommer, de gekozen foltermethoden, de achtergrond van het voorval blijken alle aan het krantenknipsel ontleend. Een Duitser had tijdens zijn vakantie een Franse cassière uit een supermarkt ontmoet, trouwde met haar en ging in Marseille wonen. Zij vond werk. Hij niet, raakte aan de drank en sloeg zijn vrouw steeds vaker, totdat zij de benen nam naar een verre stad.

Toch steigert Bon bij de suggestie dat Un fait divers een documentaire-roman zou zijn. “Alle cultuur waarover ik als geletterde beschik, neemt niet weg, dat ik mij onmachtig voel tegenover wat er niet klopt in de wereld. Ik gebruik de personages voor mijzelf. Zij zijn metaforen voor wat er extreem is in mijzelf. Als zovelen heb ik in mijn leven, vooral toen ik zo 22, 23 jaar was extreme keuzes gemaakt. Ik ben van huis weggegaan, ik heb mijn toevlucht gezocht in Parijs, ver van het plaatsje waar ik ben opgegroeid, ik heb gezworven. In mijn geval is dat goed afgelopen, ik heb ogenschijnlijk mijn plaats in de wereld gevonden. Maar er zijn er, bij wie dezelfde beslissingen hebben geresulteerd in hun teloorgang. Ze zijn bijvoorbeeld aan de drugs geraakt, in de gevangenis terecht gekomen, verkracht - noem maar op. Net als de auteurs van de Griekse tragedies gebruik ik hen om me in mijn eigen persoonlijkheid een weg te banen.”

Gemengde berichten is opgebouwd uit door elkaar heen gemonteerde 'monologen' waarvan een op naam van 'de schrijver'. François Bon legt daarin het verband tussen zijn eigen jeugd en die van de folteraar uit het boek: “Misschien verlangden ook wij destijds naar een toevalige daad van geweld, om het beginpunt te markeren dat noodzakelijk was voor een nieuwe start. Wat er maalt in je hoofd in een tijd dat alles mislukt, zonder dat je weet waar het zwarte gordijn stuk te scheuren, zoals die vent had gedaan met een schroevendraaier en een Mobylette. Het gaat er niet om hem vrij te pleiten, en de omgang met vuiligheid blijft niet ongestraft, tenzij je bereid bent te kijken naar de vuiligheid in jezelf.”

Late roeping

Bon is, zoals dat heet, van eenvoudige komaf. Zijn liefde voor de letterkunde werd op jeugdige leeftijd gewekt door de aanwezigheid van het volledig werk van Balzac in de ouderlijke woning. Nog altijd leest hij graag complete werken: Proust, Dostojevski, etc. Met achterdocht ontwaart hij in het door zijn uitgever verstrekte knipselkrantje een Frans artikel waarin hij wordt beschreven als een geboren intellectueel en schrijver die jarenlang undercover is gegaan, en heeft gewerkt als ingenieur bij de Franse elektronica-fabrikant Thomson, onder andere in Moskou en India, alvorens in 1982 naar buiten te komen met zijn eerste inside-roman over de arbeidersklasse, Sortie d'usine. “In de jaren zeventig was bijna iedereen wel ergens politiek activist, als communist, maoïst of wat dan ook. Dat heeft geen betekenis”, zegt Bon. Aanvankelijk was hij elektrotechnisch ingenieur, als schrijver is hij een geval van late roeping. Sortie d'usine verscheen op zijn 29ste.

Het etiket 'geëngageerd auteur' staat hem niet tegen, maar hij wil geen auteur zijn die manifesten ondertekent of verontwaardigde artikelen naar het dagblad Le Monde stuurt, als een hedendaagse Victor Hugo of Jean-Paul Sartre. “Zulk declaratoir engagement is een valstrik, een substituut voor echt literair engagement”, meent François Bon. “Sartres boeken verouderen snel, hij was geen revolutionair auteur, veel minder in ieder geval dan Samuel Becket, die zich richtte op de taal zelf.” De sterstatus van schrijvers is volgens hem iets uit het verleden. “Het is een grote vergissing te denken dat de maatschappij je iets verschuldigd is, omdat je toevallig schrijver bent. Dat is zelfs een gevaarlijke illusie: een schrijver heeft vrijheid nodig om te werken en die vrijheid ligt in onze tijd in het werken in de schaduw.”

Honoré de Balzac blijft zijn grote voorbeeld. “Het vroegste schrift dat bekend is, het Sumerische geloof ik, werd gebruikt voor het vastleggen van aantallen zakken graan of slaven. Van daaruit heeft de geschreven taal zich verder ontwikkeld. Het is een mooie traditie in Frankrijk, dat literatuur nog steeds verwijst naar de werkelijkheid”. De taak van de letterkunde is naar Bons idee vooral om de ontbrekende, nog niet in literatuur gevatte delen van de sociale werkelijkheid te verwoorden, zoals witte plekken op de kaart van Afrika in de vorige eeuw door ontdekkingsreizigers werden ingevuld.

Zijn werk, meent hij, “stijgt uit boven het belang van de drieduizend mensen die in Frankrijk regelmatig romans kopen. Iedere leraar aan een school in de voorsteden, waar de grootste spanningen leven binnen de stad, kan je vertellen dat de overdracht van de taal, ons erfdeel, niet langer vanzelfsprekend is. Een leraar moet zijn onderwijstechniek voortdurend bijstellen. Ik denk dat mijn experimentele manier van werken iets bijdraagt aan de ontwikkeling van de overdracht van taal en cultuur. In C'était toute une vie wist ik soms niet meer waar mijn eigen taalgebruik ophield en waar dat van de vrouw wier teksten het leeuwendeel van het boek uitmaken begon, zozeer was er sprake van wederzijdse doordringing van taalgebruik.”

Analfabeten

Hij vertelt dat de relatief ongeletterden die aan zijn werkgroepen deelnemen - Bon leert in het atelier d'écriture zelfs analfabeten schrijven aan de hand van het verwoorden van hun eigen, persoonlijke belevenissen - soms geen enkele moeite hebben met teksten, die conventionele Franse lezers veelal zeer moeilijk vinden. Met vrucht leest werkgroepleider Bon hun voor uit Antonin Artaud, manisch opiumsnuiver, of van Henri Michaux, ook al een sterk door drugs beïnvloede schrijver.

François Bon is daar tevreden over: die ontvankelijkheid voor 'moeilijke' teksten bij zijn pupillen ziet hij als een bewijs voor de kracht van de literatuur zelf. “Zij leren te breken met het eenrichtingsverkeer in de taal, met de situatie waarin zij taal alleen consumeren. Door hun zelfexpressie veranderen zij, herwinnen zij - althans in sommige gevallen - zelfvertrouwen. Zij merken dat hún taal ook door anderen kan worden gewaardeerd. Juist omdat ze schrijven vanuit penibele omstandigheden, vanuit directe noodzaak, vanuit passie met andere woorden. Zonder passie is er geen literatuur”.