Sobere scènes en een sneeuwstorm tot slot

Voorstelling: Dynamo Mundi, door Dogtroep. Script en regie: Threes Schreurs. Spelers: Wieger Woudsma, Hannah Fox, Csilla Lakatos, e.a. Muziek o.l.v. Ted van Leeuwen. Gezien: 1/8 in theater Carré, Amsterdam. Aldaar t/m 1/9.

Dogtroep betekent donderend geraas, water en vuur, archetypen in hun strijd tegen de elementen, groteske bouwsels en monumentale taferelen - dat is het handelsmerk geworden en de kracht en zwakte tegelijk. Altijd gebeurt er veel, en vaak verdichten al die gebeurtenissen zich gaandeweg tot een climax die dat ene tafereel oplevert waar iedereen nog lang over zal napraten. De ene keer is het een massief regengordijn, de andere keer het neerstortende water boven het IJ, en nu, in Carré in Amsterdam, is het ongetwijfeld de sneeuwstorm die opsteekt en die niet alleen de figuren op de speelvloer, maar ook het publiek (althans in de parterre) nat in het gezicht blaast.

Wat dat betreft maakt Dogtroep zijn reputatie weer waar. Het is een hels pandemonium, aan het slot van Dynamo Mundi, het is alsof de sluizen open barsten en het theater onttakeld achterlaten. Maar wat daaraan een uur lang voorafgaat, is opmerkelijk sober. Langdurig bevinden zich op het metersbrede podium, uitgebouwd in de piste, slechts drie personen: een grote man met de vrouw, die hij zelf per ongeluk heeft verpletterd onder een manshoog vat, en een tweede vrouw die voortdurend met malle kunstjes de aandacht van die man probeert te trekken. In die on-Dogtroep-achtige leegte worden, zo te zien, verwoede pogingen gedaan op ontroering te mikken, maar daarvoor hebben de spelers te weinig in handen. Ze krijgen niet veel meer dan losse scènetjes te spelen met grapjes die af en toe aanleiding tot een glimlach geven - en van een slinks opgebouwde spanning is geen sprake.

Dynamo Mundi werd speciaal gemaakt voor en in Carré. In plaats van een leeg fabrieksgebouw, een werkloze scheepshelling of een kaal terrein, waar alles vanaf de grond moest worden opgebouwd, had Dogtroep ditmaal een kant en klaar theater tot zijn beschikking. Alles is er al, van de geluids- en lichttechniek tot de publieksopstelling, en van de loopbruggen hoog boven de zaal tot de mogelijkheid via luikjes onder het toneel naar boven te komen. Dat er een parachutist afdaalt over een helling, over de loge heen, is op zo'n lokatie minder verrassend dan buiten. Dat er van alles uit de nok kan komen, eveneens. In plaats van de bizarre Dogtroep-logistiek is het hier de veelzijdigheid van Carré die triomfeert.

Een paar mooie beelden zijn er wel: de tientallen handjes in rood, oranje en geel die door de toneelvloer heenbreken, de majestueuze slinger van de tikkende klok die zijn spookachtige schaduwen over de spelers werpt, het rollende vat dat een zandspoor van witte kaderlijnen langs de rand van het podium achterlaat, en tenslotte de man die een wanhopig sierlijk dansje maakt met zijn levenloze, aan een kabel bungelende vrouw. Maar het zijn er, vind ik, niet genoeg - en er werden te veel vormeloze taferelen omheen verzonnen, die te lang duren en nergens toe leiden. Het is alsof Dogtroep niet goed wist wat met Carré te beginnen, en tussen het pluche voornamelijk verlangend uitkijkt naar het moment dat er weer buiten mag worden gespeeld.