Ongebouwde sensualiteiten

Tentoonstelling: De ongebouwde theaters van Amsterdam. Passage van het Muziektheater, Amsterdam, Periode: t/m 22/9. Catalogus door Max van Rooy, Uitg. Het Theaterfestival, 68 blz. Prijs fl 24,95.

Het Amsterdam waar elke bewoner en elke vreemdeling het mee heeft te stellen, lijkt een stad van voldongen feiten. Het grachtenpatroon, de gebouwen, de straten liggen er bij zoals het door stedebouwers ogenschijnlijk was bedoeld. Wat weinigen beseffen is dat de stad er heel anders uit had kunnen zien, net of zich achter Amsterdam een onzichtbaar Amsterdam schuilhoudt. Die stad, die slechts bestaat op het tekenpapier van de architecten, leidt een sluimerend bestaan in archieven. In dat niet-werkelijke Amsterdam droomden bouwmeesters als Wijdeveld, Berlage en De Bazel, om slechts enkele namen te noemen, van grootse theatergebouwen. Als al hun plannen waren doorgegaan, was de hoofdstad de laatste hondervijftig jaar meer dan vijfhonderd theaters rijker geworden. Een duizelingwekkend aantal.

Aan de kop van het Vondelpark bijvoorbeeld, bij de Amstelveense weg, zag de visionaire, utopische architect H. Th. Wijdeveld een imposant theater voor zich, dat hij het Groote Volkstheater noemde. Hij ontwierp het gebouw in 1918-'19. Een brede, met bomen omzoomde laan sneed dwars door het park heen en bereikte aan het eind een wonderlijk-sensueel, schelpvormig bouwwerk met twee zich naar weerskanten uitstrekkende vleugels. Net gespreide vrouwenbenen, met in het midden, waar zich ook nog eens een buik welft, een smalle toegangspoort sans-gêne. Het theater als moederschoot, waaraan Wijdeveld 'de binnenstroomende massa' de bevruchting van haar innerlijk toedichtte.

Deze tekening en tekeningen van tal van andere, gedroomde theaters hangen in de Passage van het Muziektheater. Niet meer dan vijftig meter lengte beslaat de expositie, getiteld De ongebouwde theaters van Amsterdam en ingericht door Gabriël Verheggen. Maar wie aandachtig kennis neemt van de vernuftig uitgelichte schetsen en maquettes, wie de laatjes openschuift waarin de verschillende verdiepingen van een schouwburg zijn ondergebracht, krijgt een prachtig beeld van wat de bouwmeesters, de dichters en denkers onder hen, in de loop van deze eeuw hebben bedacht om Amsterdam allereerst een theaterstad te laten zijn. Architectuurdeskundige Max van Rooy schreef de begeleidende catalogus. Uit de archieven van vooraanstaande architecten lichtte hij de op papier vastgelegde plannen die echter nooit werden gerealiseerd; de gebouwen bleven gevangen in het ruitjespapier van de architect. Dat is ook de voorwaarde voor zowel tentoonstelling als catalogus: dat een aantal van die nooit tot baksteen verheven theaters in de loop van de tijd mythische proporties is gaan aannemen. Het is een aanstekelijke catalogus die de theater- èn architectuurliefhebber noopt tot scherp en met open ogen rondkijken in de stad.

Het is een uitstekende gedachte het Groote Volkstheater van Wijdeveld de eer te geven de tentoonstelling te openen. Met enige fantasie ontdekt de bezoeker dat alle vooroorlogse plannen op dit project zijn terug te voeren. Allereerst is er de monumentaliteit van Wijdeveld die terugkeert in het ontwerp van H.P. Berlage uit 1912 voor het Kunstenaarshuis met theater aan het Roelof Hartplein (toentertijd: Hartstraat). Beide architecten beschouwden, geheel in Wagneriaanse betekenis, een schouwburg als een Gesamtkunstwerk waarin schilderkunst, letterkunde, bouwkunst, muziek en acteerkunst een harmonisch geheel moesten vormen, dat bovendien de bevolking moest verheffen tot het hogere, het schone. Bij Berlage uit die drang tot verheffen zich in de verticale, opgaande lijnen waaruit zijn ontwerp voor het Kunstenaarshuis bestaat. Interessant zijn de kaarten waarop de geplande gebouwen staan afgebeeld, zodat we kunnen zien hoe het gebouw zich verhoudt tot het stratenplan. Zo projecteerde Berlage het theater als een monumentaal bouwwerk op het snijpunt van drie straten. Hij gaf aan het ontwerp een neo-klassieke allure. Het theater kwam er niet, wel verrees op die plaats rond 1925 Huize Lydia, bewoond door verpleegsters en vanwege hun aanwezigheid de 'hunkerbunker' genoemd. Alleen al zo'n detail maakt de catalogus onmisbaar voor wie graag door Amsterdam dwaalt.

De niet-gebouwde theaters in Amsterdam leidden een zwervend bestaan; nu eens moest het Vondelpark kloppen als het dramatische hart van de stad, dan weer het Frederiksplein, het Rembrandt- en Leidseplein en de begeerlijkste plek van Amsterdam-Zuid, daar waar nu aan de Apollolaan het Apollo Hotel en de Apollo Hal staan. Architect C. Feltkamp wenste daar in '24 een muziektempel te plaatsen, van zulke immense afmetingen dat ze hoog boven de omliggende gebouwen zou uitrijzen. Zijn tempel lijkt nog het meest op een kruising tussen een schip en een kathedraal. In de hoog oprijzende, rijkversierde boeg is de entree geplaatst; het trapsgewijs opgebouwde dak wekt de suggestie van het exterieur van een kerk met steunberen. Evenals in Wijdeveld's Groote Volkstheater moet de bezoeker van dit concertgebouw een dubbele sensatie ondergaan: enerzijds die van het majestueuze uiterlijk dat anderzijds wordt gecompenseerd door de fluwelen intimiteit van de zaal zelf.

De vraag die telkens terugkeert is: 'Waarom bleven deze theaters ongebouwd?' Max van Rooy stipt en passant aan, maar met niet mis te verstane nadruk, dat de Gemeente Amsterdam nooit de moed heeft gehad en het initiatief heeft getoond zèlf de ongewisse toekomst van het Amsterdamse theaterleven te sturen. Aldoor zijn er weer bijzondere commissies die, met ambtelijke laksheid, de zaken laten waaien. Of, zoals Wim Vesseur het in 1969 uitdrukte toen hij op eigen initiatief een zaal voor Toneelgroep Centrum wilde inrichten: “De Gemeente zit qua theater al zwaar in de vernieling.” Ook toen het onverwoestbaar geachte Paleis voor de Volksvlijt op het Frederiksplein in de nacht van 8 op 9 april 1929 afbrandde, reageerde de Gemeente lauw-lauw. Er moesten een ondernemer en architect J. de Meijer aan te pas komen om eem complete Kunstcentrale op het plein trachten te verwezenlijken - en daarbij bleef het. Het was de bedoeling dat hier, net zoals bij het voormalige Paleis voor de Volksvlijt, 'alle takken van Kunst onder één dak vereenigd' werden. Evenals bij de Vondelparkboulevard mondde de Utrechtsestraat uit in de entree, waarboven zich een ronde toren van 65 meter verhief. De voorgevel besloeg 112 meter en was voorzien van verticale vlakken op ritmische afstand van elkaar, onderbroken door zuilen. Alweer een illusie, deze Kunstcentrale. Tot op heden ligt de Nederlandsche Bank als een onwrikbaar basaltblok op het Frederiksplein en maakt dat plein meteen zo goed als dood.

Theaters wekken pleinen en zelfs wijken van de stad tot leven. De architectenstreven goedbeschouwd aldoor dezelfde eisen na. Theaters liggen op plaatsen waar mensen als vanzelfsprekend samenkomen; bovendien moet de architectuur uitnodigend zijn. Opvallend is dan ook dat alle theaterbouwers de entree zo sterk benadrukken, zodat de potentiële bezoekers als het ware naar binnen worden getrokken. De catalogus en de expositie eindigen waar ze begonnen: in het Vondelpark. Behalve het Groote Volkstheater zou daar in 1987 een Openluchttheater komen, het enige theater zonder bouwmeester. Zelfs daarvan is het niet gekomen. Op papier steekt Amsterdam als theaterstad andere steden naar de kroon.

    • Kester Freriks