Middenmoter

De successen van Krajicek, Blijlevens en de Holland Acht worden niet geëvenaard door die van de economie. Op dat punt is Nederland niet meer dan een middenmoter. Dit blijkt uit de concurrentietoetsen van zowel minister Melkert (Sociale Zaken) als Wijers (Economische Zaken).

Beide ministers hebben dezelfde benchmarkmethode gehanteerd. Een in het bedrijfsleven gebruikelijke manier om prestaties te vergelijken met die van de besten van de klas en daaruit lering te trekken.

Wijers publiceerde zijn bevindingen vorig jaar juni, Melkert deed er een jaar langer over. Wijers' rapport gaf een tamelijk negatief beeld van de Nederlandse verzorgingsstaat. Met name de 'bijzonder lage benutting van het arbeidspotentieel' en de daarmee samenhangende 'hoge inactiviteit' werden gehekeld. Begin jaren zeventig werkte - gemeten in arbeidsjaren - nog 60 procent van de beroepsbevolking (15-64 jaar). Vijfentwintig jaar later is dat percentage gedaald tot 50. Daarmee scoort Nederland by far het slechtst van alle geanalyseerde landen. Het aantal uitkeringen vormt het spiegelbeeld. In 1970 had - gemeten in volle uitkeringen - ongeveer 10 procent van de bevolking jonger dan 65 jaar een uitkering. Dat aandeel is gestegen tot 25 procent, onderstreept Wijers.

Daarmee werd de toon gezet. Premier Kok vraagt sindsdien in vrijwel elke toespraak aandacht voor de geringe benutting van het arbeidspotentieel. Zijn adjudant Melkert daarentegen heeft de afgelopen maanden getracht het negatieve beeld wat om te buigen. Tijdens een toespraak in Amsterdam op 24 juni repte Melkert van topprestaties op het punt van de groei van de werkgelegenheid. Van de beroepsbevolking tussen de 15 en de 65 jaar heeft inmiddels 64 procent een baan, aldus de bewindsman. Dat dit cijfer hoger is dan de door Wijers en Kok genoemde 50 procent komt door het relatief grote aantal deeltijdbanen in ons land.

Voorlopige versies van Melkerts concurrentietoets hadden steeds deze positieve grondtoon. Dat kwam Melkert te staan op kritiek van met name de ministeries van Economische Zaken en Financiën. Melkert werd gedwongen zijn toon wat te veranderen, maar deed dat niet van harte. Tijdens een toelichting, begin juli, ging hij in de tegenaanval. Melkert argumenteerde dat het arbeidspotentieel weliswaar slecht wordt benut, maar dat dit ook veel kansen voor de toekomst geeft. Als meer mensen gaan werken zal immers ook de economische groei toenemen.

Het is te hopen. Want ook op dat punt scoort Nederland slecht. Het bruto binnenlands produkt per hoofd van de bevolking (de internationale maatstaf voor de welvaart) ligt een half procent beneden het gemiddelde van de Europese Unie en is lager dan in de zeven overige benchmark-landen. De Japanners en Amerikanen zijn respectievelijk 17,7 en 44,5 procent rijker dan de gemiddelde Europeaan. Op een aantal punten scoort Nederland ogenschijnlijk goed, zoals bij het geringe werkloosheidspercentage (thans minder dan 7 procent). Maar dat is meer een kwestie van definitie dan van prestatie.

Wordt de werkloosheid wat breder gedefinieerd (inclusief VUT en verkapte werkloosheid in de WAO) dan is het beeld heel wat somberder.

Dat van de laagopgeleiden in Nederland slechts 8 procent werkloos is, tegen bijvoorbeeld 13,5 procent in de Verenigde Staten, kan evenmin als succesfactor worden aangemerkt. Anders dan in Amerika melden veel laagopgeleiden in Nederland zich niet eens aan voor een baan, maar houden zich koest in de bijstand of de WAO. Het ministerie van Sociale Zaken heeft daar begrip voor. Het loont voor laagopgeleiden met een minimuminkomen immers niet om te gaan werken, zo wordt gesteld. Een werkloos geworden alleenverdiener met kinderen moet in het Amerikaanse Texas zien rond te komen van 36,7 procent van zijn oude netto loon. In Nederland daarentegen schiet een werkloos geworden alleenverdiener er netto maar een half procentje bij in.

“De indruk bestaat”, aldus Sociale Zaken, “dat in vergelijking met andere landen de uitkeringen in Nederland relatief hoog zijn, hetgeen de financiële prikkel tot het aanvaarden van een baan sterk vermindert.”

Bekend, maar daarom niet minder opmerkelijk is ook het geringe aantal gewerkte uren per werkende. Dit is in Nederland sinds 1983 met bijna 10 procent afgenomen tot minder dan 1400 uur per jaar. Daarmee blijft Nederland ver achter bij koploper Japan (1900 uur per persoon per jaar). De Duitsers zitten op 1580 uur.

Hoewel de onderzochte acht landen hun verzorgingsstaat elk op hun eigen manier hebben ingericht, blijken de verschillen per saldo niet groot. Wanneer de publieke en private uitgaven in de sociale zekerheid en de gezondheidszorg op een hoop worden geveegd, blijkt Nederland daaraan in 1993 30,1 procent uitgegeven te hebben, de VS 27,4 procent en Duitsland 31 procent. Alleen Zweden valt met 37 procent wat uit de toon.

De inkomensverschillen worden overal groter, zo blijkt, met de VS en het Verenigd Koninkrijk als absolute koplopers. In de VS was het besteedbaar huishoudinkomen van de top 20 procent in 1992 11 maal hoger dan dat van de laagste 20 procent. In 1969 was deze verhouding nog 7,5. In Nederland is de verhouding tussen het besteedbaar inkomen van de 20 procent huishoudens met het hoogste inkomen ten opzichte van de laagste 20 procent toegenomen van 4,5 in 1977 tot 5,5 in 1993. De toeneming van de inkomensverschillen hier is vergelijkbaar met die in de ons omringende landen.