Krankzinnig en briljant; Mohammed Farah Aideed (±1934-1996)

NAIROBI, 2 AUG. Mohamed Farah Hassan, wiens moeder hem de bijnaam Aideed gaf ('hij die geen zwakheid kent'), stond bekend als zowel krankzinnig als geniaal. Vermoedelijk was hij beide.

Zijn legertje van een paar honderd Somaliërs op slippers riep in 1993 een met modern materieel uitgeruste troepenmacht van de Verenigde Naties, aangevoerd door Amerikaanse elitetroepen, een halt toe. Op briljante wijze voerde hij de strijd tegen de Somalische dictator Siad Barre, die hij in 1991 verdreef. Maar zijn overwinningen kon hij niet omzetten in regeringsmacht, hij bleef een omstreden krijgsheer, een clanleider die door rivaliserende clans gehaat werd.

De ongeveer 62-jaar oude Aideed dronk en rookte niet, hij gebruikte zelfs de nationale drug khat niet. Slapen deed hij nauwelijks. Hij was een goed spreker die gemakkelijk een massa op zijn hand wist te krijgen. Zijn jonge krijgers, die hij na militaire overwinningen het recht gaf te plunderen, volgden hem blindelings. Zijn aanhangers vergeleken hem met de zogeheten Mad Mullah, de antikoloniale Somalische krijgsheer die eerder deze eeuw de Britten nachtmerries bezorgde. Onder rivaliserende clans stond hij bekend als de 'de gek van Mogadishu'.

Aideed diende bij de Italiaanse koloniale politie en tien jaar in het Somalische nationale leger. Siad Barre zette hem na zijn militaire staatsgreep in 1969 zes jaar gevangen op verdenking van 'presidentiële ambities'. In het gevang kreeg hij een zenuwziekte. In 1977 werd Aideed door Barre tot kolonel benoemd. Hij nam deel aan de veldslag tegen Ethiopië over de Ogaden. Aideed maakte in deze oorlog naam als briljant militair strateeg, ook onder zijn vijanden, de Ethiopiërs.

Barre, nog immer bevreesd voor concurrentie, stuurde Aideed vervolgens als ambassadeur naar India. Hij gaf deze deze post op toen prominente leden van zijn Hawiye-clan hem benaderden om de opstand tegen Barre te leiden. De toemalige Ethiopische president, Mengistu, steunde het Somalische verzet en hij verkoos Aideed boven andere leiders wegens diens militaire faam. Aideed opende in Midden-Somalië een front tegen Barre. Hij ronselde onder analfabete plattelandsjongeren die hij voor hun militaire diensten beloonde met een dagelijkse portie van het licht verdovende middel khat.

Zijn militie bereikte eind 1990 de poorten van Mogadishu en dreef in de weken daarna Barre en het overgrote deel van diens Marehan-clan op de vlucht. Aideed was er echter niet in geslaagd een brede bevrijdingsbeweging op te zetten waarin alle clans vertegenwoordigd waren. Hoewel hij zichzelf als de bevrijder van Somalië zag, bereikte hij daarom zijn doel niet. De hoteleigenaar Ali Mahdi van de Hawiye-Abgal-clan was hem namelijk een paar dagen voor geweest en had zichzelf inmiddels in Mogadishu als president geïstalleerd. Een verongelijkte Aideed vond dat hem alle macht toekwam en begon een van de meest bloedige burgeroorlogen die Afrika ooit heeft gekend. Zonder onderscheid tussen burger- en militaire doelen begonnen de milities van Aideed en Ali Mahdi in de straten van het eens zo prachtige Mogadishu een strijd die een groot deel van de hoofdstad in puin legde. Bij dit - nog steeds onbesliste - conflict vielen tussen 1991 en 1993 dertigduizend doden. De strijd leidde uiteindelijk tot het ingrijpen van de Amerikanen en de Verenigde Naties. Toen de Amerikanen in de nacht van 8 december 1992 in naam van de Verenigde Naties de stranden en haven bij Mogadishu bestormden, begonnen ze onmiddellijk Somaliërs met argwaan te behandelen. Iedere burger die ze in de eerste uren tegenkwamen, moest op de grond gaan liggen, werd getrapt en geschopt en met touwen vastgebonden. Het was een onaangename ervaring voor de Somaliërs die vreedzaam de Amerikanen stonden op te wachten. Aideed, die vreesde voor zijn broze machtspositie door de Amerikaanse interventie, zou handig gebruik gaan maken van deze onvrede onder inwoners van Mogadishu.

In 1993 gaven de VN Aideeds strijders de schuld van de moord op 23 Pakistaanse blauwhelmen. De VN gaven hun neutrale positie op en de Amerikanen begonnen in de nauwe straten van Mogadishu een klopjacht op Aideed. De Amerikaanse militairen vielen woningen aan en beschoten een ziekenhuis met mortiergranaten. De bevolking reageerde woedend toen tientallen burgers omkwamen. Aideeds aanhangers radicaliseerden en doodden na een aanval op een woning vier buitenlandse journalisten die de gebeurtenissen versloegen. Een twaalf uur durende veldslag rond de centrale markt met Aideeds strijders leidde tot achttien dode Amerikanen. Dolzinnige aanhangers van Aideed sleepten het verminkte lijk van een van deze achttien door de straten. Televisiebeelden brachten het gruwelijke tafereel in de Amerikaanse huiskamers, waarna de regering in Washington besloot haar troepen terug te trekken. Als gevolg zou in de komende jaren Amerika geen militairen meer beschikbaar stellen voor operaties op het Afrikaanse continent.

De Amerikaanse militaire acties in Mogadishu hadden Aideed eventjes tot een nationale held gemaakt. In een poging alle clans achter zich te verenigen, vormde Aideed een regering van 102 ministers. Maar zijn rivaal Ali Mahdi en sinds vorig jaar ook zijn voormalige medewerker, Osman Atto, bleven hem te vuur en te zwaard bestrijden. Overwinningen in en buiten de hoofdstad van de verschillende gewapende facties de afgelopen maanden hebben de militaire impasse in Somalië niet kunnen doorbreken. Na Aideeds dood zullen zijn vijanden mogelijk een groot offensief beginnen tegen zijn troepen. Maar misschien zullen er ook na het wegvallen van de koppige Aideed nieuwe openingen ontstaan voor een politieke oplossing van het clanconflict in Somalië.