Kalender

De kantoorboekhandel geeft vijftig procent korting. Dat staat op een groot stuk karton achter de winkelruit. Koopjes zijn altijd leuk. Ik ga meteen naar binnen. Er zijn een paar klanten voor me. Begerig kijk ik om mij heen. Wat zou er midden in de zomer zo weinig kosten? Potloden, vlakjes of misschien wel grote pakken papier?

“Wat kan ik voor u doen?”

Ik zeg de kantoorboekhandelar dat ik eigenlijk niets nodig heb. Het gaat me alleen om die vijftig procent. Wat heeft hij in de aanbieding?

“Kalenders”, zegt hij en wijst met z'n duim naar een waslijntje dat achter hem hangt. Daaraan zijn drie kalenders vastgemaakt. Huppelende danseresjes. De wisseling der seizoenen. En daar heb je er zelfs een met twaalf grote stoomboten. Ik kan natuurlijk alleen de voorste zien.

“Kalenders”, vraag ik. “Het jaar is al voor meer dan de helft om.”

“Daarom juist. Voor de maanden januari tot en met juli hoeft u bij mij niets meer te betalen.”

“Omdat ze voorbij zijn?”

“Precies.”

Wat hij zegt klinkt volkomen begrijpelijk. Ik kan er niets tegen inbrengen. En toch klopt er iets niet.

“Wie koopt er in augustus nou nog een kalender?”

“De mensen die dat in het begin van het jaar vergeten zijn.”

Ik moet hem wel geloven. Hij staat hier al jaren. Alleen bij hem krijg je elke zomer meer dan tweehonderd dagen cadeau.

“En over een paar maanden zijn ze nóg goedkoper?”

“Zo is het.”

Even wil ik niet aan die steeds goedkoper wordende kalenders denken. Ik koop vlug een krant. Er schiet me nog een laatste vraag te binnen. Eens kijken wat hij daarop zegt.

“En in december, wat kosten ze dan?”

“O, nog maar een paar dubbeltjes. Maar dan moet u er wel de kalender van het volgend jaar bijkopen. Voorlopig voor de volle prijs.”