Japans flipperkastgeld gaat naar Noord-Korea

Wat heeft pachinko met kernwapens te maken? Een heleboel, zo lijkt het. Pachinko, een soort flipperkastspel waarmee veel geld gewonnen kan worden en dat sinds lang het nationale tijdverdrijf van Japan is, leek een veelbelovend doelwit voor Mitsubishi en Sumitomo.

Zij ontwikkelden magnetische kaarten ter vervanging van het contante geld in de pachinkospeelhallen. Maar de twee giganten raakten in de problemen toen vervalsers de kaarten gingen namaken. De bedrijven gaven afgelopen mei toe dat hun verlies in totaal 588 miljoen dollar bedroeg.

Het debacle werd alom gezien als een voorbeeld hoe criminele elementen in Japan azen op grote zakelijke ondernemingen. Maar er zit nog een veel interessanter verhaal achter de kaartkraak, namelijk hoe een plan van de regering om het verdachte nucleaire programma van Noord-Korea te dwarsbomen een averechtse uitwerking had.

Het verhaal begint volgens Mitsuhiro Suganuma, destijds hoofd van de Noordkoreaanse afdeling van de inlichtingendienst van Japan, met een bezoek van een afvaardiging van de Amerikaanse CIA aan Tokio. Suganuma vertelt hoe hij en andere functionarissen van de Japanse inlichtingendient in het voorjaar van 1991 een ontmoeting hadden met CIA-mensen in de grote vergaderzaal van het 'Public Security Intelligence Bureau'. Tijdens de bijeenkomst vertoonde een van de Amerikanen een videoband waarop men een korrelige satellietfilm kon zien van een gebouw dat volgens de CIA een bijna voltooide kernreactor in Noord-Korea was.

Volgens Suganuma voorspelden de Amerikanen dat deze reactor binnen enkele jaren kernwapens zou kunnen produceren die de regering van Pyongyang zou kunnen inzetten tegen Japan en Zuid-Korea en bovendien zou kunnen verkopen aan regimes in het Midden-Oosten. De Japanners, die de nucleaire ambities van Noord-Korea hadden beschouwd als een dure hersenschim, waren geschokt.

De Japanse en Amerikaanse agenten bedachten een plan. Vele inlichtingenmensen beschouwden de pachinko-industrie als een belangrijke bron voor de financiering van het verdachte Noordkoreaanse nucleaire programma. Als de pachinko-exploitanten hun flipperkastmachines zouden moeten ombouwen voor magnetische kaarten, in plaats van contant geld, zou het gemakkelijker worden, zo dachten ze, om na te gaan waar de pachinko-opbrengsten bleven. En ze hoopten dat ze zo de geldstroom naar Noord-Korea konden verstoren. Maar de aardbeving van 1995 in Kobe stuurde hun plan danig in de war. “Het eindresultaat van alles was de wraak van Noord-Korea”, zegt Suganuma.

Suganuma's herinneringen aan de vergadering van 1991 worden bevestigd, zij het op voorwaarde van geheimhouding, door gepensioneerde en nog actieve leden van de CIA en een hoge functionaris van de Japanse politie. De Japanse inlichtingendienst weigerde commentaar.

De pachinko-industrie wordt sinds lange tijd gedomineerd door etnische Koreanen, van wie de oudsten naar Japan zijn gebracht tijdens de wrede bezetting van Korea door Tokio. Ongeveer zestig procent van de pachinko-speelhallen is in handen van geboren Koreanen of van hun in Japan geboren nakomelingen, aldus Yoichi Mabe, hoofd van het Japan-Korea Research Center. “Ongeveer een derde van hen is Noordkoreaan of van Noordkoreaanse afkomst”, voegt hij eraan toe.

Pachinko is een trekautomaat die gevoed wordt met stalen balletjes. Als een balletje in een van de vele gaatjes stuitert, en vervolgens naar beneden rolt door een wirwar van obstakels, wint de speler meer balletjes die kunnen worden ingewisseld voor artikelen of geld. De jaarlijkse opbrengst van de 18.000 pachinkohallen en de daarmee verbonden bedrijvigheid in Japan wordt op maximaal 300 miljard dollar geschat.

Veel van dit geld wordt niet opgegeven, zo zegt Katsuei Hirasawa, een voormalig functionaris van de Nationale Politie en nu liberaal-democratisch kandidaat voor het Japanse parlement. Hij betoogt dat de Japanse belastingautoriteiten zich terughoudend opstellen omdat de relatie van Japan met de etnische Koreanen zo gevoelig ligt. “Ze zeggen meestal: 'Jullie hebben ons hier onder dwang gebracht en nu willen jullie ons discrimineren omdat we pachinkohallen exploiteren”, zegt Hirasawa. “Ze weten heel doeltreffend in te spelen op ons schuldgevoel.” Maar Yoshitaka Murakami, directeur van de belastingdienst, ontkent dat de door Koreanen gerunde pachinkohallen een speciale behandeling krijgen.

Functionarissen van de Japanse en Amerikaanse veiligheidsdiensten geloven dat de niet opgegeven pachinkowinsten op twee manieren in Noord-Korea terechtkomen: via vissersboten en veerdiensten, en via overmakingen van Japanse banken naar Noordkoreaanse rekeningen in Singapore en Hongkong. Robert Gates, die hoofd van de CIA was tussen 1990 en 1993, zegt dat de stroom contant geld op maximaal 800 miljoen dollar per jaar werd geschat. “Toen men sancties overwoog tegen Noord-Korea waren er maar twee externe hulpbronnen die van enig belang waren voor de Noordkoreaanse economie”, zegt hij. “De ene was olie uit China en de andere was geld uit Japan.”

Volgens Cho Song On, de woordvoerder van de Algemene Vereniging van Koreaanse inwoners van Japan, de feitelijke ambassade van Pyongyang in Tokio, sturen de etnische Koreanen inderdaad geld naar Noord-Korea. “Maar die hoeveelheid geld is minder geworden door machten die Pyongyang vijandig gezind zijn”, aldus Cho. Nicholas Eberstadt, van het American Enterprise Institute in Washington, die de buitenlandse handel en de begroting van Pyongyang heeft geanalyseerd, denkt dat de geldstroom tot ongeveer 100 miljoen dollar per jaar is geslonken. Volgens hem zijn jongere etnische Koreanen in Japan minder bereid een regering te helpen die ver weg zit.

Volgens een voormalige CIA-functionaris kwam de CIA eind jaren '80 tot de conclusie dat Noord-Korea de fondsen van het pachinkospel gebruikte om kleppen, instrumenten en speciaal roestvrij staal te kopen voor expansievaten voor zwaar water. Dit materiaal, dat vooral in Roemenië en in Oost-Duitsland werd gekocht voordat het Oostblok ineenstortte, kon zowel voor vreedzame doeleinden worden gebruikt als voor de ontwikkeling van kernwapens en wekte geen argwaan bij douanebeambten, zo zegt hij. Volgens een functionaris van de Nationale Veiligheidsdienst van Zuid-Korea kocht Pyongyang andere apparatuur voor zgn. 'dubbel gebruik' (dual-use), vooral speciale glassoorten, in Japan.

Het idee dat het verdachte kernwapenprogramma van Noord-Korea gedeeltelijk werd gefinancierd door Japanse burgers in rokerige pachinkohallen was niet alleen onthutsend, maar ook bedreigend. “De videoband van de CIA schokte ons genoeg om de kwestie met klem aan de orde te stellen”, zegt Suganuma.

Tijdens een vergadering in september 1991 kregen vertegenwoordigers van de Japanse inlichtingendienst, defensie en politie kopieën uitgereikt van een rapport van de Japanse geheime dienst over het nucleaire programma van Noord-Korea dat gedeeltelijk was gebaseerd op de Amerikaanse gegevens, aldus een hooggeplaatste politiefunctionaris. Ze hielden de rapporten een nacht en brachten ze de volgende dag terug bij het ministerie van Justitie om ze te laten versnipperen. Binnen een week, zo voegt hij eraan toe spoorde de groep de secretaris-generaal van de minister-president aan om op alle mogelijke manieren hard op te treden tegen de illegale geldtransacties naar Noord-Korea.

De manier om de inkomsten van het pachinkospel te traceren en, in theorie, te controleren was al sinds 1990 beschikbaar. Op aandringen van de politie hadden Sumitomo, Mitsubishi en Nippon Telegraph & Telephone Corp. geldkaarten ontwikkeld om het witwassen van geld tegen te gaan. Met dit systeem kopen pachinkospelers kaarten uit automaten met een waarde van 1000 tot 10.000 yen (ongeveer 9 tot 90 dollar) en plaatsen die in de pachinko-machines om ballen te kopen. Elke aankoop wordt geregistreerd door de computer en bijgeschreven op de rekening van het bedrijf dat de kaart uitgeeft. Het bedrijf betaalt vervolgens de pachinkohal met inhouding van een commissie.

Aanvankelijk weigerden de meeste pachinkobazen de kaarten. Voor de etnische Koreanen leek het een actie van het Japanse bedrijfsleven om de enige sector van de economie waar zij de boventoon voerden, over te nemen - “een samenzwering om de Koreanen uit de industrie te verdrijven”, zo zegt Susumu Shigemitsu, voormalig manager bij Heiwa Corporation, de grootste fabrikant van pachinko-automaten.

De Japanse regering, die het liefst elk conflict met de etnische Koreanen wil vermijden, dwong hen niet om over te gaan op dit systeem. Maar toen stortte de Japanse geheime diensten zich op de kaarten als de beste manier om de geldstroom naar Pyongyang te keren. Vanuit de hoofdkantoren van politie in Tokio drong het beleid geleidelijk door tot de agenten op de wijkbureaus. Die moesten de pachinkobazen met harde hand dwingen op het gebruik van de kaarten over te gaan, waarbij hun macht om nieuwe vergunningen af te geven als pressiemiddel diende.

Satoshi Aoyama, directeur van de pachinkohal-onderneming Aoyama Kikaku KK, zegt dat hij het kaartsysteem tot vorig jaar heeft geweigerd. Aoyama vertelt dat een van zijn drie hallen in Tokio eind 1992 was gerenoveerd en dat er een verzoek tot goedkeuring bij de politie was ingediend voor de heropening van de hal met nieuwe, op munten werkende automaten. “Normaal gesproken duurt het ongeveer een maand voor zo'n verzoek wordt ingewilligd”, zegt hij. Maar de politie zorgde voor een vertraging van drie maanden en gaf bevel dat de hal gesloten moest blijven ook al was de renovatie voltooid en waren de nieuwe machines geiïnstalleerd. Nadat Aoyama vorig jaar accepteerde om in al zijn speelhallen over te gaan op het kaartsysteem, kwam de goedkeuring er in twee weken door.

De boodschap was duidelijk: “Als je niet overgaat op het kaartsysteem, veroorzaak je een enorme financiële schade voor je bedrijf”, aldus Aoyama. De wijkbureaus van politie in de wijk Ota in Tokio waar de hallen van Aoyama Kikaku zijn gesitueerd, weigeren commentaar.

Tegen het einde van 1994 was ongeveer zeventig procent van de pachinko-industrie overgegaan op het kaartsysteem. De verkoop van de bedrijven van Sumitomo en Mitsubishi die de kaarten leveren, de flipperkasten distribueren en het netwerk beheren, schoot als een raket omhoog. In het boekjaar dat eindigde in maart 1994 bedroeg de omzet 4,1 biljoen yen (37,81 miljard dollar) in vergelijking met 14 miljard yen in het jaar ervoor.

Toen werd, in 1995, de stad Kobe verwoest door een aardbeving. Hoewel er weinig werd geplunderd, werden er wel veel pachinko-automaten die op kaarten werkten gestolen uit de verlaten speelhallen, aldus een medewerker van NTT Data, een dochteronderneming van het telefoonbedrijf dat de kaarten heeft ontwikkeld. Door de kaartleesmechanismen te ontrafelen, wisten vervalsers de codes te kraken zodat ze zelf kaarten konden maken.

Binnen een jaar circuleerden de valse kaarten overal tegen een fractie van de prijs van de echte kaarten. Omdat de computers geen onderscheid konden maken tussen echte en valse kaarten, betaalden Mitsubishi en Sumitomo de pachinkobazen voor de valse kaarten én voor hun eigen kaarten. Deskundigen in de bedrijfstak menen dat de verliezen van de maatschappijen veel hoger zijn dan de 588 miljoen dollar die ze opgeven. NTT Data, Mitsubishi en Sumitomo weigerden een toelichting te geven.

Japanse regeringsfunctionarissen zeggen dat ze hun verdenkingen hebben - die tot nu toe niet zijn bewezen - dat Pyongyang achter de valse kaarten zit en dat Noord-Korea nu uiteindelijk nog meer geld binnen krijgt. Een woordvoerder van de vereniging van in Japan wonende Koreanen kijkt geschokt na de suggestie dat Noord-Korea iets te maken zou hebben met de vervalsingen. Dan verschijnt er een glimlach op zijn gezicht als hij denkt aan de onthutsing en de verliezen van het verbond tussen het officiële Tokio en het Japanse bedrijfsleven dat volgens hem heeft geprobeerd om binnen te dringen in het domein van de etnische Koreanen. “De hele situatie is heel ironisch”, zegt hij. “En ik vind het eigenlijk heel leuk.”

Copyright: The Wall Street Journal.

Vertaling Loes Vonk.