In magazijnen van de kolenmijn huist nu de Kunstacademie

1996 is het jaar in het industriële erfgoed. Onder dit begrip wordt een veelomvattende reeks historische objecten verstaan. Daartoe behoren in de eerste plaats oude fabrieken en werkplaatsen die vaak hun oorspronkelijke functie verloren hebben en met sloop worden bedreigd. Soms krijgt zo'n gebouw een nieuwe bestemming. De magazijnen van de mijnwerkers in het Belgisch Limburgse Eisden is nu een kunstacademie.

In de hal van de Kunstacademie in Eisden, een van de kernen van de Belgisch Limburgse gemeente Maasmechelen, steekt een stalen balk uit de vloer omhoog. Erop staat een met viltstift geschreven naam: Fonske van Genenbos. Dat was een arbeider van de kolenmijn Limburg-Maas. Fonske was waarschijnlijk een van de laatsten die in dit gebouw werkten. Toen de mijn nog in produktie was, waren in het gebouw de magazijnen gevestigd. De toegang van wat sinds 1994 na een kostbare renovatie in gebruik is als academie, was vroeger de locomotievenloods. In de vleugel van de afdeling “Muziek en woord” waren de timmer- en de metaalwerkplaats gevestigd. Waar nu het secretariaat zit was de smederij. Verder waren in het gebouw de stallen waarin de mijnpaarden stonden.

Nadat de mijn in 1988 gesloten werd, leek het magazijn net als de andere mijngebouwen voorbestemd voor de sloop. De directie van de NV Kempense Steenkoolmijnen, toen eigenaresse van de nog resterende mijnzetels, wilde het liefst de sporen uit het verleden zo snel mogelijk uitwissen en de vrijkomende grond verkopen als industrieterrein. Maar ze had buiten de waard gerekend.

“Mede door een kreet vanuit de bevolking”, zo staat in een korte geschiedenis, “besliste de politiek een deel van het patrimonium (erfgoed) te klasseren.” Voorzitter Jan Kohlbacher van de Geschied- en heemkundige kring Eisden: “We werden utopisten, dagdromers genoemd.” Maar toen daar de steun kwam van professor André Loeckx, hoofd van het departement voor architectuur aan de Katholieke Universiteit Leuven en verder van de Koning Boudewijnstichting, Belgica Nostra, de Vlaamse vereniging voor archeologie, de provinciale dienst Industrieel erfgoed en de inmiddels op initiatief van Kohlbacher opgerichte Vereniging behoud Limburgse mijngebouwen, werd besloten het gebouw te restaureren om er de gemeentelijke Kunstacademie in te vestigen.

Voor een 35.000 inwoners tellende gemeente mag het gerust een megaproject worden genoemd, want het kostte 4,5 miljoen gulden. De academie heeft nu 1600 studenten, van wie een groot aantal uit Nederland. Kohlbacher, eertijds onderwijzer aan de lagere school in de Eisdense mijnwerkerswijk, ook wel genoemd de Cité, en zelf zoon van een uit Oostenrijk naar Eisden gekomen mijnwerker: “Dezelfde autoriteiten die de politie op ons dak stuurden als we acties voerden voor het behoud van de mijngebouwen, zaten tijdens de ingebruikneming van de Kunstacademie op de eerste rij van de genodigden. Onze sensibilisering heeft dus toch zijn nut gehad.”

Docent schilderkunst Pollie Gregoor: “We kwamen van een camping terecht in een 4-sterrenhotel. Sinds we hier zitten is de toeloop van studenten enorm gestegen. Deze locatie heeft allure, niet alleen door de wijze van restaureren maar ook door de ligging.” Gregoors vader was ook een ondergronder (schietmeester) bij de Limburg-Maasmijn geweest. Hij stierf echter al op 29-jarige leeftijd aan een hartaderbreuk die het gevolg was van een ondergrondse ontploffing.

Het decor rondom de Kunstacademie, waarvan de vooral in paars geverfde geveldelen opvallen, ademt nog volop de sfeer van de mijnindustrie. Kijkend uit de ramen aan de achterzijde ziet men wat er restte van de steenberg, die men hier terril noemt. Men ziet er ook de restanten van de twee schachten en van het gebouw waarin de machines stonden die zorgden voor het aandrijven van de schachten en voor het beluchten van de mijn. Op een nabijgelegen rotonde staat een uit mijn-ijzer geconcipieerd door Pollie Gregoor ontworpen monument, dat men in de pers weinig vleiend de 'schroothoop' noemde.

Wat verderop ligt de elektriciteitscentrale, die tot voor kort nog in produktie was en die de laatste jaren werd gestookt op kolen uit Colombia. Die kolen kostten inclusief het transport eenderde van de kolen van de Limburg-Maas in haar laatste dagen. Daarmee werd des te pijnlijker aangegeven dat de Belgisch Limburgse kolen, het soms bloedige verzet van de mijnwerkers tegen de sluiting ten spijt, ten dode waren opgeschreven. In 1992 werd in het Belgisch Limburgse bekken de laatste mijn gesloten. Dat was die van Zolder-Beringen.

De magazijnen van de Limburg-Maas in Eisden werden gebouwd in 1911. Met de aanleg van de mijn zelf was in 1907 begonnen: vijftien jaar later werden de eerste kolen bovengehaald. De magazijnen liggen aan de rand van de Cité. Evenals de andere mijngebouwen werden de magazijnen zeer royaal uitgevoerd. Ze lijken daardoor op paleizen. Volgens Kohlbacher, een kenner bij uitstek van de mijnhistorie, werd dat bewust zo gedaan. “Het waren de prachtige facades om de ellende die er achter plaatsvond, het zware en ongezonde mijnwerk, de uitbuiting en knechting te verhullen.”

De kunstacademie van Eisden-Maasmechelen is nu een schakel met het mijnverleden geworden. “De mijn van Eisden”, aldus Gregoor, “heeft in de hele geschiedenis van het kunstonderwijs in Maasmechelen een rode draad gevormd. De mijn was de eerste inrichtende macht, zorgde in de beginfase voor wedde- en werkingstoeslagen en stelde lokalen ter beschikking. En met de verhuizing in 1994 naar de 'Magazijnen' aan de Zetellaan komt opnieuw de mijn op de hoek kijken”. Of zoals directeur Frans Slangen het in een brochure over de academie uitdrukt: “Mooier voorbeeld van herbestemming van voormalige mijngebouwen kan men zich met deze kunstonderwijstempel moeilijk voorstellen.”