Iets van inspiratie

Maatstaf 1996-6. Uitg. De Arbeiderspers, 80 blz. Prijs ƒ 22,50. Tirade 363. Uitg. Van Oorschot, 121 blz. Prijs ƒ 25.

Het moet haast wel voelen als een zwaard van Damocles: wegens de recente volledige redactiewisseling bij Tirade wordt niet nu beoordeeld of en in welke mate het blad 'subsidiabel', is maar over een jaar. Dat geeft de nieuwe redactie - Toine Moerbeek, George Moormann en Rogi Wieg - een vijftal nummers de gelegenheid zich te bewijzen. Zoiets schept natuurlijk extra onzekerheid, maar kan in het beste geval ook een speciale stimulans zijn. Voorlopig ontvangt Tirade op grond van de hoge kwaliteit van de vorige jaargangen nog ruim een jaar de maximale subsidie, dus eigenlijk mag niemand mopperen. Nog.

In de eerste twee afleveringen van de nieuwe redactie miss ik eerlijk gezegd verschrikkelijk de bijdragen van Willem Jan Otten, Robert Anker en Tomas Lieske, de oud-redacteuren. Die worden niet echt gecompenseerd door de artikelen van de nieuwe mannen, want Moerbeek en Wieg stonden voorheen ook al regelmatig in Tirade. De dichter Moormann kennen we van De Zingende Zaag, hij is eigenlijk de enige nieuweling binnen het Tiradetrio.

Vielen in hun eerste nummer vooral de oude namen uit de Van Oorschot-stal op - Hanny Michaelis, A. Alberts, J. Voskuil, Jan Stavinoha, het tweede nummer lijkt meer uit eigen koker te komen. Hierin worden de 'uithoeken van het ei' verkend, een typisch Moormann-taalgrapje.

De 'Poëziekroniek' van Tomas Lieske is overgenomen door Guus Middag, die zich op deze plaats een grotere intimiteit en meer 'ik' kan veroorloven dan in de krant. Hij schreef eerst over Leo Vroman en zijn Psalmen, nu (eigenlijk ook al 'toen', want het derde nummer laat akelig lang op zich wachten) over het werk van Huub Beurskens, van wie hij vooral zijn gedichten bij schilderijen waardeert. Het lijkt wel een opdracht van de redactie, want die heeft verkondigd een heleboel aandacht te willen besteden aan de relaties tussen woord en beeld. Ron Elshout vergelijkt naast Middag in de rubriek 'Hier vraag ik mijn lezer' proza en poëzie van Tonnus Oosterhoff met het werk van de schilder Mesdag én met dat van Nescio, wat, hoe kan het ook anders, de verwarring alleen maar groter maakt.

Er is veel beeld in de nieuwe Tirade. Proza en poëzie over beelden, en foto's, schilderijen, tekeningen - het Produktiefonds moet over een jaartje ook maar te rade gaan bij een subsidiecommissie voor beeldende kunst.

Ook Maatstaf vernieuwde de redactie helemaal, op Martin Ros na. Hier hangt Damocles' zwaard al wat lager, omdat de tijdschriftencommissie van het Produktiefonds uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven absoluut niet tevreden te zijn over de kwaliteit van Maatstaf tot aan de redactiewisseling. Als er geen verbetering intreedt, is het over een jaar afgelopen met de subsidiëring. Een hardvochtig oordeel, maar gezien de ongeïnspireerde nummmers van 1995 niet onterecht. Een jaar lang werd domweg gewacht op de grote vernieuwers, die nu inmiddels vijf afleveringen gepresenteerd hebben.

Wat dadelijk opvalt, is een grote belangstelling voor politieke kwesties, zoiets als bij Tirade van voor de vorige redactiewisseling, uit de tijd van Geert van Oorschot dus. De flirt met het neo-conservatisme is misschien van kortstondige aard geweest, want in de laatste twee nummers heeft de literatuur weer de overhand. Op de meeste van de aangekondigde vaste medewerkers moeten we nog steeds wachten (Hans Goedkoop, Arnon Grunberg, Maarten 't Hart, Bas Heijne, Geert van Istendael) maar er lijkt toch wel iets van inspiratie op te borrelen bij Maatstaf. Nu nog enige consistentie.

Wie bij het aantreden van de nieuwe redactie, onder leiding van Arbeiderspersdirecteur en -manager Ronald Dietz, vreesde voor een populistische aanpak gericht op leesbaarheid en verkoopbaarheid kan zich laten verrassen door het zesde nummer dat geheel aan poëzie is gewijd. Voor zover al niet op andere gedachten gebracht door de voorgaande vijf, waarin ook geen concessies aan het leesgemak werden gedaan. Wel valt een voorkeur voor schrijvers uit eigen stal te signaleren, maar dat hóéft geen bezwaar te zijn.

William Shakespeare opent het poëzienummer, in een nieuwe vertaling van H.J. de Roy van Zuydewijn, zelf dichter: 'heeft mij Verval geleerd te overwegen/ dat me eens mijn lief door Tijd ontstolen wordt./ Dit denken kan slechts, als een dood, betreuren/ te hebben wat het bang is te verbeuren', maakte hij wat pompeus van de slotregels van sonnet nr.64: 'Ruin hath taught me thus to ruminate -/ That Time will come and take my love away./ This thought is as a death, which cannot choose/ But weep to have that which it fears to lose.'

Redbad Fokkema van de Universiteit van Utrecht werkt aan een grote geschiedschrijving van de Nederlandse poëzie sinds 1945. Een artikel van zijn hand over 'postmodernisme in de Nederlandse poëzie sinds 1960' vormt de ruggegraat van dit poëzienummer, maar een badinerende bijdrage van Gert Jan de Vries is veel leuker. Hij stelt ook, dankbaar maar kritisch gebruikmakend van Fokkema's nieuwe inzichten, een heikele kwestie veel scherper: wat is het verschil tussen een goede lied- of raptekst en een gedicht? Na De Groene Amsterdammer stelde het tv-programma Een koffer vol boeken onlangs deze vraag aan de orde, daarbij volop profiterend van de beeld- en klankmogelijkheden van de televisie. Het item was te kort, en van de dichter-op-muziek bleef naast de podiumkunstenaars niet veel meer over dan een goedbedoelende stuntelaar. Maar de discussie is onontkoombaar. De Vries, poëziecriticus van de Volkskrant pleit in Maatstaf voor een flinke verruiming van wat doorgaans tot de dichtkunst wordt gerekend, en zelfs voor een radicale herschrijving van de bestaande literatuurgeschiedenissen.

Gedichten die zo provoceren als het stuk van De Vries staan niet in Maatstaf, maar toch: een veelbelovend nummer.