Hoe kalf met BSE wordt besmet is nog onduidelijk

ROTTERDAM, 2 AUG. Het experiment waarbij de overdracht van de gekke-koeienziekte (BSE) van koe op kalf is aangetoond, werd uitgevoerd op het Central Veterinary Laboratory, een laboratorium van het Britse ministerie van landbouw in Weybridge ten westen van Londen.

Daar werden in 1989 ruim 300 jonge dieren, geboren uit melkkoeien waarbij 1 tot 10 maanden na hun bevalling BSE was vastgesteld, samen gehuisvest met 300 kalveren van BSE-vrije koeien. De dieren leefden als normale melkkoe. De verzorgers en de onderzoekers wisten niet welk dier een BSE-moeder had en welk dier niet. Op zevenjarige leeftijd werden de dieren geslacht, waarna hun hersenen werden onderzocht op tekenen van BSE.

Half juli waren in beide groepen 273 dieren geslacht en onderzocht. Van de kalveren geboren uit BSE-koeien bleken er 42 zelf BSE te hebben. In de controlegroep waren het er 13. De conclusie is dat 1 op de 10 moederdieren met BSE de ziekte aan haar kalf doorgeeft.

Maar, zegt de Britse overheidscommissie van deskundigen (SEAC) die de BSE-epidemie volgt, in de praktijk ligt de overdracht van koe op kalf eerder in de buurt van de 1 procent omdat de kalveren voor het experiment geselecteerd waren uit koeien die korte tijd later BSE kregen. De SEAC meent dat als de verticale transmissie zou blijven bestaan, de BSE-epidemie zich toch niet zal uitbreiden, want daarvoor is de besmettingsgraad te laag.

Van de 28.000 koeien die in Groot-Brittannië nog BSE kregen nadat het in 1988 verboden was om nog herkauwersresten aan herkauwers (de vermoedelijke oorzaak van de epidemie) te voeren, waren er voorzover bekend 1203 geboren uit koeien die daarna BSE kregen. Dat suggereert een besmettingskans van 4 procent. Dit cijfer is echter zeer onzeker omdat de registratie van vee in Groot-Brittannië grote lacunes vertoont en omdat ook gezamenlijke besmette voedselbronnen dit percentage kunnen beïnvloeden.

Prof.dr.C. Wensing, directeur van het Instituut voor Dierhouderij en Diergezondheid van het ministerie van landbouw in Lelystad, hoorde vorig jaar in Weybridge nog van zijn Britse collega's dat de BSE-gevallen in de onderzoekskudde waarschijnlijk allemaal door besmet voeder waren veroorzaakt. Wensing: “Het was niet uitgesloten dat de dieren in het experiment op jonge leeftijd toch nog aan besmet voeder hebben blootgestaan en onderzoekers geloofden toen niet dat bij koeien verticale transmissie bestaat, zoals die wel bij het schaap van ooi op lam en de overeenkomstige schapenziekte scrapie voorkomt.”

Maar de diagnostische test waarop die conclusie steunt is niet erg gevoelig.

Wensing: “De overblijvende vraag is nu hoe de transmissie plaatsvindt. De dieren in het experiment hebben maar kort melk van hun moeders gedronken. Alleen de biest. De aandacht gaat vooral uit naar besmetting via placentaweefsel. Vaak worden, net als bij schapen, de witte bloedcellen als mogelijke drager van de prionen genoemd. Om de overdracht via de placenta te kunnen onderscheiden van mogelijke erfelijke factoren, bestaan experimenten die vijf jaar geleden begonnen zijn en binnen twee jaar resultaat zullen opleveren.

“Bij koeien met BSE is het embryo in het acht- tot zestiencellig stadium, dus voordat innesteling plaatsvindt, uitgespoeld en in een 'schone' draagmoeder overgebracht. Die dieren moeten nu oud genoeg worden om eventueel BSE te zien. Een erfelijke aanleg zoals die bij schapen bekend is, acht ik bij koeien niet zo groot, gezien de plotselinge opkomst van de epidemie, terwijl scrapie bij schapen al sinds mensenheugenis in kuddes voorkomt.” Maar uitgesloten is dat volgens Wensing niet.