Gezocht: leraren die nog willen lesgeven

Het gaat niet goed met de lerarenopleidingen, stelde een commissie onlangs vast.

Dat klopt, vindt Marcel Mooijman, het ligt alleen niet aan die opleidingen, maar aan de arbeidsmarkt en het grillige overheidsbeleid. Als de overheid betere leraren wil, zal ze daar zelf iets aan moeten doen.

'De leraar is de cruciale factor in het onderwijs. De kwaliteit van het onderwijs staat of valt met de man of vrouw voor de klas', aldus W.C.M. van Lieshout, voorzitter van het 'Procesmanagement lerarenopleiding' (NRC HANDELSBLAD, 22 juli). Deze managers doen een aantal voorstellen om de kwaliteit van de lerarenopleidingen te verhogen. Ze zoeken de oplossing vooral in samenwerking tussen lerarenopleidingen die elk voor zich te klein zijn.

Maar het procesmanagement gaat daarmee voorbij aan de echte oorzaken van de dreigende kwaliteitsverlaging bij de lerarenopleidingen. Die oorzaken zijn fundamenteel maar, zoals zal blijken, nauwelijks door de lerarenopleidingen zelf te beïnvloeden.

Waardoor dreigt die kwaliteitsvermindering?

Allereerst door de motieven van leerlingen om voor deze opleidingen te kiezen.

Het beroep van leraar is, om te beginnen, al niet populair. De toekomstige collega's zijn oud. De klassen zitten vol met moeilijk handelbare leerlingen. De werkomstandigheden zijn slecht: gebouwen met achterstallig onderhoud, weinig modern lesmateriaal of weinig buitenschoolse activiteiten. Carrière kun je in het onderwijs nauwelijks maken. Potentiële studenten van de lerarenopleidingen zien dit (weliswaar onvolledige) beeld dagelijks bevestigd. Het beroep en de daarvoor bestemde opleiding verliezen zo hun aantrekkingskracht.

Bovendien is het salarisperspectief voor opleidingen die verwant zijn met de lerarenopleidingen, aantrekkelijker. Dit geldt vooral voor exacte en technische vakken. De leraar Nederlands heeft geen slechter salaris dan de journalist, maar de automatiseringsdeskundige is veel beter af dan de leraar informatietechnologie. Leerlingen met interesse voor deze vakken bedenken zich wel twee keer voordat zij leraar willen worden.

Als de resterende leerlingen vervolgens kiezen voor een lerarenopleiding, dan is dat omdat zij een bepaald vak interessant vinden, niet omdat zij er les in willen geven. Wie scheikunde of techniek interessant vindt, heeft veel alternatieve opleidingen tot zijn beschikking. Wie talen, geschiedenis of maatschappijleer op HBO-niveau wil studeren, heeft nauwelijks een andere keus dan de lerarenopleiding. Als vervolgens blijkt dat (zoals op onze hogeschool) 'slechts' de helft van de opleiding vakinhoud betreft, dan komen de studenten van een koude kermis thuis.

De kans op werk in het onderwijs is, tenslotte, voorlopig gering. Slechts voor een beperkt aantal vakken (weer: de exacte vakken) bestaat behoefte aan gekwalificeerde leerkrachten. Wachtgeldregelingen zorgen ervoor dat vacatures niet door jonge leerkrachten worden vervuld.

Het gevolg van dit arbeidsperspectief voor de lerarenopleidingen is dat zij eerst te weinig studenten krijgen. Dat geldt vooral voor de exacte vakken. Hier ontstaan kleine opleidingen die het inderdaad moeilijk hebben een bepaalde kwaliteit te handhaven. De studenten die binnenkomen zijn bovendien niet erg gemotiveerd voor het leraarsvak. Bij deze studenten zien we een grote uitval en een laag studierendement. Als de lerarenopleidingen alleen de goed gemotiveerde studenten zouden selecteren, blijft er nauwelijks een student over.

Een tweede reeks oorzaken van mogelijke kwaliteitsvermindering hangt samen met het onderwijsbeleid van de overheid. Dit beleid is grillig, zowel voor het voortgezet onderwijs als voor de lerarenopleidingen. Zo moest de lerarenopleiding de afgelopen vijf jaar reageren op de invoering van de Basisvorming en de zogenaamde SVM-operatie in het middelbaar beroepsonderwijs (MBO). Binnenkort staan veranderingen in het voorbereidend beroepsonderwijs (VBO)/Mavo en weer in het MBO te wachten. Zelf heeft de lerarenopleiding net de overgang van een tweevakkige naar een éénvakkige structuur achter de rug. Het examenprogramma van onze opleiding moest (op aanwijzing van de onderwijsinspectie) in dezelfde periode tweemaal drastisch worden aangepast.

De overheid heeft de financiële middelen voor de lerarenopleidingen bovendien aanzienlijk teruggeschroefd. Dat uit zich allereerst in het personeelsbestand. Tegenwoordig zijn bij onze opleiding ongeveer veertig studenten nodig om één docent te kunnen betalen, tien jaar geleden was deze verhouding twintig op één. Medewerkers in de mediatheek, de audiovisuele dienst, amanuenses, helpdeskmedewerkers, kunnen we ons nauwelijks meer veroorloven. De bezuinigingen zijn daarnaast voelbaar in de materiële voorzieningen: budgetten voor bibliotheek, computers, inrichting van gebouwen of nieuwbouw zijn zeer mager. Tot slot kunnen ook stagedocenten geen individuele vergoeding meer krijgen.

Het gevolg voor de lerarenopleidingen is dat zij nauwelijks een zorgvuldig onderwijsprogramma kunnen opstellen. Docenten moeten cursussen en jaarprogramma's telkens aan de nieuwe eisen aanpassen. Roosters en planningen veranderen voortdurend. De opleiders en het ondersteunend personeel hebben vervolgens weinig tijd voor de studenten. Zij werken in deeltijd of op een andere locatie. Als de studenten vervolgens zelfstandig willen werken, blijken er onvoldoende computers te zijn of ontbreekt het aan studieruimte. Tot overmaat van ramp kan voor hen geen stageplaats worden gevonden. De dienstverlening aan de student komt op die manier op een bedenkelijk niveau.

De kwaliteit van de lerarenopleiding staat dus onder druk. De oorzaken daarvan liggen echter in het arbeidsperspectief voor leraren en het onderwijsbeleid van de overheid. Dit stelt ook de 'Visitatiecommissie lerarenopleiding tweede graad'. Deze commissie erkent in haar tussentijdse rapport, van maart dit jaar, dat bijna alle bovengenoemde punten voor de lerarenopleidingen gelden. Toch is haar belangrijkste conclusie dat de hogescholen behoorlijke leraren opleiden. Dat doen zij, volgens de commissie, tegen de verdrukking in.

Kwaliteitsverhoging van de lerarenopleidingen betekent het opheffen van die verdrukking. Dat houdt in dat de overheid het leraarsvak aantrekkelijker moet maken. Vervolgens dient zij een stabiel onderwijsbeleid te voeren en de lerarenopleidingen ruimere middelen te bieden.

Het Procesmanagement is echter niet van plan deze gedachtengang te volgen. Ondanks dat het zijn aanbevelingen op het visitatierapport baseert, neemt het de conclusies daarvan niet over. Landelijke samenwerking tussen kleinere opleidingen biedt misschien een oplossing voor de kwaliteit van deze opleidingen, maar het aantal natuurkundedocenten neemt daardoor niet toe. En dàt is nu juist noodzakelijk. De leraar is de cruciale factor in het onderwijs, maar het moet voor de lerarenopleidingen wel mogelijk zijn voldoende gemotiveerde studenten, met voldoende faciliteiten, op te leiden. Dat vereist geheel ander beleid dat het Procesmanagement voorstelt.