Geen kerker zo donker als je eigen hart; Schuldbesef in de romans van Nathaniel Hawthorne

De negentiende-eeuwse romancier Nathaniel Hawthorne was een van de eerste Amerikaanse kunstenaars die zich verzetten tegen het kritiekloze optimisme in hun land. Hij werd de peetvader van schrijvers als Herman Melville en Paul Auster, maar ook van Francis Ford Coppola, Bob Dylan en anderen die zich verzetten tegen de Amerikaanse Droom.

Nathaniel Hawthorne: Het huis met de zeven gevels. Vert. Anton Haakman. Uitg. Meulenhoff, 352 blz. Prijs ƒ 55,-.

- : De rode letter. Uitg. Pandora Klassiek. Prijs ƒ 12,50. De Engelse edities van Hawthorne worden in pocket uitgegeven door Penguin en Signet. 'The Scarlet Letter' is ook uitgebracht als Penguin Audiobook, voorgelezen door Bob Sessions. Prijs ƒ 30,85.

Toen in 1851 zijn roman Het huis van de zeven gevels verscheen, stond de Amerikaanse schrijver Nathaniel Hawthorne al bekend als een aartssomberaar. Voor een deel was dat te danken aan zijn weinig vrolijke korte verhalen en zijn zwaarmoedige novelle The Scarlet Letter. Maar het was vooral de schuld van zijn vriend Herman Melville, de schrijver van het ook in 1851 gepubliceerde en aan Hawthorne opgedragen Moby-Dick. Melville had een jaar eerder een geruchtmakend essay geschreven waarin hij zijn bewondering voor zijn vijftien jaar oudere collega aan de grote klok had gehangen. De schepper van kapitein Ahab, een van de meest diabolische figuren uit de literatuurgeschiedenis, was vooral getroffen door de 'blackness, ten times black' waarvan het werk van Hawthorne doortrokken was. En hij wist precies waar de kracht van 'this great power of blackness' op berustte: op 'het calvinistische besef van aangeboren verdorvenheid en zondigheid' waar iedere weldenkende geest nu eenmaal mee worstelt.

Melville legde de vinger op de zere plek. Nathaniel Hawthorne, de Zwarte Zwadderneel van de Amerikaanse literatuur, was geobsedeerd door schuld en boete. Zijn werk is een feest der herkenning voor iedereen die gebukt gaat onder een nooit aflatend schuldgevoel, voor iedere post- of crypto-calvinist die zich zonder duidelijke reden tekort voelt schieten ten opzichte van zichzelf, van anderen, en van de maatschappij. De personages die in Hawthornes romans en verhalen psychologisch ontleed worden, zijn zelden echt slecht, maar ze accepteren hun existentiële schuld, ongeveer zoals Josef K. dat uiteindelijk doet in Het proces van Kafka.

Het is verleidelijk om Hawthornes literaire obsessies in verband te brengen met de plaats waar hij vandaan kwam. Hij werd op Onafhankelijkheidsdag 1804 geboren in Salem, de voormalige Puriteinse kolonie in Massachusetts die aan het eind van de zeventiende eeuw het toneel was geweest van een grootscheepse heksenvervolging. Meer dan vierhonderd mensen (en vier honden) waren tijdens een korte periode van massahysterie aangeklaagd en gevangen gezet. Negentien mensen waren opgehangen; een tachtigjarige man was doodgemarteld omdat hij had geweigerd zich schuldig of onschuldig te verklaren. En niemand begreep hoe het zo ver had kunnen komen: in West-Europa was in 1692 al jaren geen heks meer op de brandstapel gezet.

Als achter-achterkleinzoon van een vooraanstaande heksenjager, en als verre afstammeling van een magistraat die rond 1650 Salem met harde hand had gezuiverd van 'ketterse' Quakers, voelde Hawthorne zich van jongsaf aan belast door de geschiedenis. 'It still haunts me,' schreef hij in een autobiografische schets die hij in 1850 publiceerde. Op een bijna masochistische manier voelde hij zich zelfs schuldig over de daden van zijn voorvaderen, en door in zijn fictie de hypocrisie en het fanatisme van de Puriteinen te kritiseren, dacht hij iets goed te maken: 'In elk geval neem ik hierbij als hun vertegenwoordiger namens hen de schaamte op mij, en als zij een vloek op zich hebben geladen (-) hoop ik dat deze nu voorgoed is weggenomen.'

Boze droom

De 'spirit of place' van Salem, met zijn heksen en Puriteinen, speelt een belangrijke rol in het werk van Hawthorne. In zijn beklemmendste verhaal, 'Young Goodman Brown', beschrijft hij hoe Goodman Brown, een vrome jongeman, op een avond de bossen rond Salem ingaat. Hij ontmoet daar een geheimzinnige man die bij wijze van referentie zegt dat hij nog samen met Goodman Browns vader en grootvader heeft gejaagd op Quakers en indianen. De Duivel, want die is het, neemt hem mee naar de heksensabbat, waar Young Goodman Brown alle burgers van Salem verzameld ziet: de dominee, de godsdienstlerares en zelfs zijn vrouw Faith. Als Goodman Brown een ferme poging doet om de Satan te weerstaan, gaat de sabbat in lucht op - als een boze droom. Maar de twijfel is gezaaid. De rest van zijn leven wordt Young Goodman Brown gekweld door wantrouwen; in al zijn naasten ziet hij aanhangers van de duivel, en hij sterft uiteindelijk in verbittering.

Wie 'Young Goodman Brown' leest, heeft medelijden met de hoofdpersoon en vraagt zich af waaraan hij zijn droeve lot verdiend heeft. Zoals zo vaak bij Hawthorne wordt een antwoord niet direct gegeven en zijn verschillende interpretaties mogelijk. Maar één suggestie is duidelijk: Young Goodman Brown wordt in bijbelse stijl gestraft voor de misdaden die zijn vader en grootvader hebben begaan.

In de romans en verhalen van Nathaniel Hawthorne worden de personages wel vaker achtervolgd door het verleden. Hester Prynne in The Scarlet Letter (1850) moet jaren boeten voor een liefdesaffaire die in de ogen van haar Puriteinse stadsgenoten gelijk staat aan overspel. De hoofdpersoon van 'Roger Malvin's Burial' wordt zijn hele leven lang verteerd door een niet ingeloste belofte aan een dode vriend. En in het romantische spookverhaal The House of the Seven Gables zuchten de bewoners van een herenhuis onder een eeuwenoude vloek: hun stamvader bouwde zijn huis op het land van een man die hij wegens hekserij had laten terechtstellen.

Gothic novel

Het huis met de zeven gevels, net als De rode letter een van de klassieken van de negentiende-eeuwse Amerikaanse literatuur, is sinds kort ook in het Nederlands te lezen. De vertaling is van Anton Haakman, die als vertaler en essayist heeft bewezen veel affiniteit te hebben met de negentiende-eeuwse 'gothic novel'; drie jaar geleden verscheen van hem zelfs een roman, Het paradijs, waarin een aantal nagelaten notities van Hawthorne een rol speelde. Haakman vertaalde het niet altijd even makkelijke proza van Hawthorne - een archaïserend Engels dat sterk beïnvloed was door de zeventiende-eeuwse dichter John Bunyan - sierlijk en helder. De subtiele ironie van de quasi-bemoeizuchtige verteller is perfect bewaard gebleven, en het is maar heel zelden dat je je realiseert dat je geen origineel zit lezen.

Zoals de meeste boeken van Hawthorne wordt ook Het huis met de zeven gevels voorafgegaan door een inleiding van de schrijver. Hij begint te zeggen dat hij zijn boek beschouwt als een romance, 'omdat erin is getracht een voorbije tijd te verbinden met een verleden dat ons ontglipt.' In een romance, stelt Hawthorne, mag je vrijer omgaan met de historische werkelijkheid dan in een roman; je mag 'de sfeer zo schilderen dat de lichte tinten beter uitkomen of zachter worden en de schaduwen dieper en rijker.' Maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat Het huis met de zeven gevels een vrijblijvend verhaaltje is. 'Om in dit opzicht niet te kort te schieten,' schrijft Hawthorne tongue-in-cheek, 'heeft de auteur zich voorzien van een moraal: de waarheid, namelijk, dat een vergrijp van een generatie voortleeft in de erop volgende.'

Op deze moraal wordt nog een keer gevarieerd in het eerste hoofdstuk, waarna de verteller in het kort de geschiedenis schetst van een opvallend houten huis in een op Salem gelijkend stadje in New England. De villa werd in de koloniale tijd gebouwd door de medogenloze kolonel Pyncheon, die de rechtmatige eigenaar van het land tijdens de heksenprocessen van 1692 had laten executeren. Maar Pyncheon wordt vervloekt en sterft tijdens zijn eigen 'housewarming party' onder mysterieuze omstandigheden - een ijselijke scène, in de sfeer van Edgar Allan Poe. In de generaties na hem zullen veel meer steil-puriteinse hypocrieten uit het geslacht Pyncheon getroffen worden door de vloek van Matthew Maule, terwijl het huis met de zeven puntgevels steeds verder in verval raakt.

Levend lijk

Suspense is een van de belangrijke ingrediënten van Het huis met de zeven gevels. Dat is opvallend, want afgezien van het eerste hoofdstuk (en de stilistisch ongeëvenaarde passages waarin de verteller een dode man in een stoel toespreekt) leest het boek meer als een psychologische roman dan als een gothic novel. Heel lang lijkt het verhaal stil te staan; de verteller analyseert beetje bij beetje de persoonlijkheid van de hoofdpersonen: drie leden van de verarmde tak van de Pyncheons die rond 1840 in het verwaarloosde huis wonen. Hepzibah Pyncheon is een stugge oude vrijster die in onmin leeft met haar machtige familielid Jaffrey en die het niet kan verkroppen dat ze onder haar stand moet leven. Haar broer Clifford is net als levend lijk teruggekeerd uit de gevangenis waar hij dertig jaar (ten onrechte) heeft gezeten voor de vermeende moord op een rijke oom. Hun lieftallige nichtje Phoebe, dat ongevraagd een tijdje komt logeren, is een ingénue die de harten van haar sombere familie doet ontdooien, en uiteindelijk ook degene die hen zal verlossen van 'Maule's Curse'.

Het huis van de zeven gevels heeft een verrassend happy end, dat in gang wordt gezet door de geheimzinnige dood van de kwelgeest van Hepzibah en Clifford, de hypocriete rechter Jaffrey Pyncheon. Critici hebben beweerd dat Hawthorne terugschrok voor een consequent somber einde omdat hij zijn lezers niet van zich wilde vervreemden - per slot van rekening was hij in 1849 ontslagen als douaneambtenaar en moest hij met de pen zijn vrouw en kinderen onderhouden. Feit is dat de rest van het boek bruist van het onheil en getuigt van een inktzwart determinisme. Net als Young Goodman Brown lijken Hepzibah en Clifford gedoemd, niet alleen omdat ze erfelijk belast zijn, maar ook omdat ze tobbers zijn die de kracht niet hebben om iets aan hun lot te veranderen. 'Welke kerker is zo donker als je eigen hart!' concludeert de verteller. 'Welke cipier zo onverbiddelijk als je eigen ik!'

Galg

Het thema van het allesvernietigende schuldgevoel is subliem uitgewerkt in The Scarlet Letter, dat het afgelopen jaar in het nieuws is gekomen wegens de abominabele Hollywood-bewerking met Demi Moore en Gary Oldman in de hoofdrollen. De Britse regisseur Roland Joffé (The Killing Fields, The Mission) maakte van Hawthornes allegorische romance een spannend bedoelde liefdes- en avonturenfilm over een gepassioneerde vrouw temidden van ongeëmancipeerde Puriteinen. Mensen die na het zien van de film de goedkope herdruk van De rode letter aanschaffen, zullen dan ook opkijken - al was het alleen maar doordat het boek niet eindigt met een indianengevecht en een spectaculaire redding van de galg, maar met typisch hawthorniaanse doom and gloom.

The Scarlet Letter heeft in de 'gevallen vrouw' Hester Prynne de ideale romanheldin: mooi en onafhankelijk, intelligent en mysterieus, sexy en onverstoorbaar. Als het boek begint heeft ze haar misstap al begaan. Met haar in de gevangenis geboren dochtertje op haar arm wordt ze naar de schandpaal geleid; niet alleen omdat ze overspel heeft gepleegd terwijl ze moest wachten op de komst van haar echtgenoot uit Engeland, maar vooral omdat ze weigert de naam van haar minnaar te noemen. Zelfs de vernedering om op haar jurk altijd een rode A (van 'adulteress' - echtbreekster) te moeten dragen, kan haar daar niet toe dwingen.

Hester Prynne moet boeten voor haar zonde, maar doet dat waardig, zonder helemaal kapot te gaan aan schuldgevoel; per slot van rekening heeft ze nog de verantwoording voor de opvoeding van haar dochtertje Pearl. De meest tragische figuur in The Scarlet Letter is dan ook haar minnaar, Arthur Dimmesdale. Hij is de jonge dominee van de Puriteinse gemeenschap, een alom geacht man die zich één keer heeft laten overweldigen door zijn emoties, en sindsdien wordt aangevroten door zondebesef en walging over zijn eigen hypocrisie. Herhaaldelijk staat hij op het punt om zijn verdorvenheid aan de gemeenschap op te biechten, maar telkens zijn er goede redenen om dat niet te doen. Dimmesdales lijdensweg wordt nog verergerd door de machinaties van de doodgewaande echtgenoot van Hester Prynne die onder de naam Roger Chillingworth - zoals vaak bij Hawthorne een omineuze naam - opduikt in de nederzetting en zijn leven wijdt aan het tergend langzaam wraak nemen op zijn rivaal.

Memento

Arthur Dimmesdale kan niet leven met zijn schuldgevoel. Na zeven martelende jaren laat hij bewust de kans voorbijgaan om samen met Hester naar een andere kolonie te vluchten. In plaats daarvan biecht hij op hetzelfde schavot waar Hester heeft gestaan zijn zonde aan de gemeenschap op, waarna hij van ellende sterft. Hester verdwijnt uit Boston en keert pas jaren later terug - nog steeds met de A op haar jurk, als een soort memento voor haar grote liefde.

Natuurlijk zijn de echte moreel verwerpelijken in The Scarlet Letter niet Hester Prynne en Arthur Dimmesdale. Die rollen zijn weggelegd voor de onmenselijke Chillingworth, en vooral voor de Puriteinen die met hun hypocrisie en hun intolerantie de Nieuwe Wereld tot een even onleefbare plaats maken als de Oude die ze ooit ontvluchtten. Zij zijn de directe voorlopers van de zogenaamd vroede vaderen die dissidente Quakers afranselden en onschuldige mensen als heksen ophingen. En in Hawthornes tijd deelden ze in New England nog steeds de lakens uit, zoals blijkt uit zijn weinig vleiende portret van Rechter Jaffrey Pyncheon in Het huis van de zeven gevels.

Anders dan zijn collega's-tijdgenoten Ralph Waldo Emerson en Henry David Thoreau, was Hawthorne geen optimist met een heilig geloof in de veerkracht van Amerika en de fundamentele goedheid van de mens. Zoals zijn geestverwant Melville het uitdrukte: 'There is the grand truth about Nathaniel Hawthorne: he says NO! in thunder.' De schichtige romancier uit Massachusetts was de eerste van een lange reeks Amerikaanse kunstenaars die zich verzetten tegen het kritiekloze optimisme van de heersende cultuur in hun land. Zo bezien is hij niet alleen de peetvader van schrijvers als Melville, Paul Auster en Bret Easton Ellis, maar ook van Francis Ford Coppola, Tennessee Williams, Bob Dylan, Lou Reed, en vele andere 'nay-sayers' tegen de Amerikaanse Droom.

In Nederland is Hawthorne nooit een erg populaire schrijver geworden. Terwijl andere negentiende-eeuwse helden als kapitein Ahab en Huckleberry Finn hier even bekend zijn als Max Havelaar en Eline Vere, doet de naam Hester Prynne hoogstens bij docenten Engels een belletje rinkelen. En in het vier jaar geleden gepubliceerde Cultureel Woordenboek - Encyclopedie van de algemene ontwikkeling stond Hawthorne niet eens in de index. Het zou mooi zijn als de vertaling van The House of the Seven Gables en de heruitgave van De rode letter daar verandering in brachten. Want, om nog één keer Melville aan te halen: 'De boeken van Hawthorne zouden verkocht moeten worden bij honderdduizenden, gelezen door miljoenen, en bewonderd door iedereen met het vermogen tot bewondering.'