Een postpakket naar de hemel; Foto's, collages en materieschilderijen van Dirk de Herder

Dirk de Herder is fotograaf, maar hij maakt ook surrealistische glazen kijkdozen gevuld met 'objets trouvés'. Hij heeft een eigen kunststichting en een eigen museum in Zijderveld. De kunst van het kijken leerde hij van zijn grootvader, stadsarchitect in Haarlem. “Hij overhoorde me wat ik had gezien als ik in de stad had gelopen en stuurde mij terug als ik iets belangrijks had gemist.”

Het Herdersmuseum, fotohistorie en moderne kunst, Zijderveldseweg 58, Zijderveld, open van 15 mei tot 15 oktober op donderdag, vrijdag en zaterdag van 11-16 uur.

In de periode van dada en de daaruit voortwoekerende surrealistische takken, abstracte twijgen en conceptuele bladeren ontstond een type beeldende kunstenaars van wie er nu nog maar enkelen in leven zijn. Ik bedoel die universeel knutselende, experimenterende, knoeiende en vooral bizar denkende en doende figuren, die alles konden gebruiken, zand, schelpen, dood hout, bij de vuilnis gezette attributen, oude kranten, koeienstront uit de stal en platgeslagen bierblikjes van de straat. Ze plakten van alles aan elkaar en maakten onzin. Dat vonden ze zelf ook, maar wel belangrijke onzin, kunst zelfs, want dwingend tot een andere visie op en waardering van het zogenaamd vanzelfsprekende. Tot paradoxen van mooie lelijkheid en weerzinwekkende schoonheid. Een fietswiel op een krukje, een strijkijzer met gemene punten, een subtiele sculptuur van in elkaar gehangen kleerhangers, een foto van een oog dat omhoog staart uit een gedeeltelijk opengerold sardinenblikje, door kalverhoeven met hun eigen mest op grote vellen wit papier gelopen tekeningen.

De makers waren ruziezoekers, romantici. Sommigen werden beroemd en rijk, de meesten raakten vergeten, verbitterd en arm. Het gebeurde allemaal na de Eerste Wereldoorlog, het herhaalde zich min of meer na de Tweede. Opnieuw de afrekening met een stukgelopen werkelijkheid door zowel cynische als romantische doorzetters.

Een van hen is Dirk de Herder (1914) die fotograaf werd, maar zich liever 'beeldenaar' noemt omdat de fotografie slechts een van de beeldende paden was die hij in een lang leven betrad en betreedt. Letterlijk dag en nacht is hij omgeven door zijn foto's, collages, objecten, materieschilderijen en nog te bewerken ruwe materialen. Ze vullen zijn leven, maar ook zijn flat aan de Haagse Dennenweg.

Een bed en zoiets als een zithoek gaan op in een pakhuis van kunstwerken, probeersels, boeken, vele stapels foto's, stukken bijenwas, een werkbank met twee vergrotingskokers en archiefkasten waarin 'een aantal tienduizenden' negatieven worden bewaard. Een centraal uitgespaarde ruimte met bovenlicht en met lampen is als studio ingericht, een hoek is werkplaats waar gezaagd, getimmerd en gelijmd kan worden aan de lange reeks 'kastjes', door vier plankjes ingekaderde, meest abstracte houtsculpturen. Het geheel kan ook verduisterd worden en dan als donkere kamer dienen.

Zijn levenswerk is overigens opgeslagen in nog drie 'pakhuizen', in Rijswijk, Midden-Beemster en Amsterdam. En ook in het net geopende eigen museum in het bij Vianen gelegen dorpje Zuiderveld. Daar is een deel van zijn collectie historische fotografica opgesteld, een selectie uit zijn eigen fotowerk en dat van anderen, zijn objecten en collages. Maar het zal er toch vooral gaan om de wisselende exposities van schilders en andere beeldend kunstenaars die in mentaliteit met hem overeenkomen. Hij bestiert het museum samen met zijn zoon Joost, een beeldhouwer. Bij de opzet stonden hem de voorbeelden voor ogen van de Amerikanen Edward Steichen en vooral Alfred Stieglitz, zelf schilders en fotografen, die de Europese avantgarde van toen (Picasso, Braque, Miro, enz.) in Amerika introduceerden.

De eerste wisselexpositie in het museum in de Vijfherenlanden bij Vianen, dat ook als galerie zal dienen, was gewijd aan de digitale fotografie. Volgens De Herder beleven we het einde van de fotografie. Door het computergestuurde manipuleren van fotografische beelden kan een nieuwe werkelijkheid ontstaan maar ook een grote leugen.

In het denken van de mensen, zo vreest hij, wordt ook het vertrouwen in de oude fotografie ondermijnd. Ooit bedacht als een absoluut bewijs van werkelijkheid is zij nu beladen met verdenking van misleiding. De mensen zullen, hoe onderbewust ook, het gefotografeerde beeld anders ondergaan dan voorheen. De Herder pleit er voor de naam fotografie te reserveren voor werk met de techniek en methodiek van het pre-digitale tijdperk en de nieuwe manipulatie heel anders te noemen. Inderdaad: nieuwe manipulatie bijvoorbeeld. De Herders museum zal gewijd blijven aan de echte fotografie. En aan de rest van de beeldende kunst natuurlijk.

Prentbriefkaarten

De Herders loopbaan begint klassiek: met een vader die hem de academie verbiedt omdat er met kunstschilderen geen droog brood te verdienen is. De dertienjarige krijgt een baantje in een Amsterdams fabriekje van prentbriefkaarten, komt nog even in de horeca terecht en vervolgens als jongste bediende in de donkere kamer van Capi. Soms mag hij optreden als assistent van een fotograaf. Hij leert retoucheren, kopiëren, films ontwikkelen. Dat alles van zeven tot elf en voor vijf gulden in de week. Een sprong voorwaarts is het als hij bij Kurt Khale kan gaan werken, een theaterfotograaf en decorbouwer, “die man was een echte artiest”. Ten slotte krijgt Dirk de Herder in Beverwijk zijn eigen fotozaak en hij doet dan alles, persfotografie, bruiloften en partijen, bedrijfsfotografie en ook het gewone winkelwerk, filmpjes ontwikkelen en afdrukken.

Daar achter doemt langzamerhand zijn eigen, vrije fotografie op, die diepgaand beïnvloed is door reuzen als Brassaï, de Parijse fotograaf van het nachtleven, Nadar, onder meer een begaafd portrettist, Eugène Atget vooral met zijn ongelooflijk heldere straatbeelden en ook van de Hongaar André Kertész. Wat deze kunstenaars gemeenschappelijk hebben is hun poëtische beschouwing van het gewone, van het zien wat andere mensen níet zien. Dat sprak De Herder in het bijzonder aan, het licht en tegenlicht dat van een beregende keienstraat een gedicht maakt. In zijn behandeling krijgen een man die op een trottoirband staat te wachten, een in de verte passerende fietser, een moeder met haar kind op een treinperron, een straatviolist in de sneeuw, een omstraling van licht en glinstering, melancholie, aftastende schaduwvingers, overwonnen door een streep tegenlicht. Inderdaad, poëzie. Gedichten overigens die ook een ode zijn aan perfectie en ambachtelijk kunnen.

De Herders werk is mede gebaseerd op de lessen van zijn grootvader, stadsarchitect in Haarlem, die hem gedeeltelijk opvoedde: “Hij leerde mij kijken. Hij overhoorde me wat ik had gezien als ik ergens in de stad had gelopen en stuurde mij terug als ik iets belangrijks had gemist.”

Misschien dat toen de kiem werd gelegd voor De Herders obsessie met het gewone, het alledaagse, altijd bestudeerd in zwart, en wit en gezien door een standaardlens op een grootbeeldcamera. Hij wil een beeld dat zoveel mogelijk overeenkomt met wat het menselijk oog ziet. Dus géén groothoek- of telelenzen.

Dirk de Herder werd een gewaardeerd kunstzinnig fotograaf in een generatie met verder onder anderen Cas Oorthuys, Emmy Andriesse, Carel Blazer, Ad Windig. Maar, openlijk bitter: “Ze hebben me op een zijspoor gezet, ik was niet intellectueel en links genoeg.” Hij noemt voorbeelden van opmerkingen en oordelen waarmee hij zich na een halve eeuw nog steeds in de hoek gezet voelt. Mede daarom is hij triomfantelijk trots dat vroege atelieropnamen van zijn hand bij Appel en Corneille nu naar het Cobramuseum gaan.

De fotografie heeft voor De Herder overigens altijd de doem van de tweede keus gehad. Schilder worden was in zijn jeugd de eerste keus. De laatste regel in een ruim tien jaar geleden verschenen fotoboek van zijn hand luidt: “Ik ga weer schilderen.” Zoals Cartier-Bresson ook deed wil hij, ouder geworden (hij is dan 70), zijn jeugdwens alsnog vervullen. Hij hield inderdaad op met de fotografie, nam lessen aan de Vrije Akademie en schilderde ongeveer een jaar: “Het bleek toch een jongensdroom te blijven, dat schilderen. Ik kon geen vat op de kleuren krijgen. Het lukte niet. Wat ik doe wil ik op een professioneel niveau doen, en ik bleef amateur.”

Glansmachine

Terug naar de fotografie, inderdaad altijd in zwart en wit. En nog steeds afgedrukt op het papier zoals dat tot een jaar of twintig geleden verkocht werd. Papier, doordrenkt met de lichtgevoelige chemicaliën. Het werd vervangen door kunststof vellen bedekt met een lichtgevoelige laag. De verwerking gaat sneller, het papier glanst al tijdens het drogen aan de lucht, glansmachines konden worden weggedaan. Ook fixeren en spoelen werden minutenwerk.

Maar, aldus De Herder: “In de mogelijkheden werd het een verarming, zoals bijna altijd met technische ontwikkelingen in de fotografie. Het verloop van zwart naar wit via de grijstinten is gebrekkiger, er zijn veel minder tussengradaties, het zwart is minder zwart en heeft geen doortekening, het wit is minder wit.” Volgens De Herder staat er in de Engelse Ilfordfabriek nog één machine die het oude papier produceert: “Ze hebben beloofd mij tijdig te waarschuwen als ook die laatste machine er uit gaat. Dan kan ik nog gauw een voorraadje hamsteren.”

In de jaren zestig begon De Herder met de houten objecten, drie-dimensionale collages met een bizarre rijkdom aan elkaar tegensprekende vormen. Hij raakte ook doende met surrealistische glazen kijkdozen gevuld met 'objets trouvés', door hemzelf 'jut-art' genoemd. Het begin van deze nog doorgaande series waren de scherven van een wijnglas dat hem ooit door een woedende vriendin naar het hoofd gegooid werd. De stukken glas kregen hun plaats in een kijkkast, samen met een schildering en een silhouetfoto van hemzelf. Hij heeft het nog steeds, dat eerste object, zij het verstopt achter boeken, hoog op een plank.

Hij haalt ook een ander stuk uit die begintijd tevoorschijn, een bundel dagbladen, samengebonden door met rode lak verzegeld paktouw en geadresseerd aan de gebroeders Rinsema, poste restante, Drachten. Het is een hommage aan Thijs en Evert Rinsema, schoenmakers in Drachten maar bovendien schilder en dichter, bezig met dada en dus dikke vrienden met Theo van Doesburg en Kurt Schwitters. Mannen naar het hart van Dirk de Herder, deze Friese dadaïsten. Hij heeft ze persoonlijk niet gekend maar wilde ze toch op de hoogte houden van wat er op aarde gebeurt en stelde daarom het postpakket naar de hemel samen, die als je de Rinsema's moet hebben zonder twijfel via Drachten te bereiken is.

Hier moet ook de naam vallen van Paul Bruno Schreiber, een Duitse kunstenaar en cultuurfilosoof, die in de jaren dertig voor de nazi's naar ons land vluchtte en daar tijdens zijn onderduik in de oorlog Bert Haanstra ontmoette. Hij schreef het verhaal voor een film die hij onmiddellijk na de bevrijding met Haanstra wilde maken. Myrthe en de Demonen heette die film, waarin goed en kwaad elkaar in een reeks van metaforen bestreden. De film werd inderdaad gedraaid met Haanstra als cameraman en De Herder als zijn assistent. Omdat Haanstra onderweg afhaakte moest De Herder het project afmaken. De opnamen duurden een jaar, het monteren ook en toen kwam Myrthe en de Demonen in een bioscoop aan de Amstel in roulatie. Het duurde één week voor hij flopte. Wat overbleef was de stichting Europese Kunst Unie, die nooit werd vastgelegd bij een notaris maar doorleefde in het hoofd van Schreiber, die theatervoorstellingen wilde organiseren, boeken uitgeven, tentoonstellingen organiseren, kortom alles. Het is er nooit van gekomen en Schreiber die schilderde, een nieuw fotografisch kleurenprocédé bedacht en nog veel meer wilde, ging dood. Zijn naam verdween in de geschiedenis. Myrthe en de Demonen was het enige, dat restte, een archiefstuk. De Herder: “Het was een mooie film, anderhalf uur lang, maar al te idealistisch en te weinig commercieel.”

Met de film en met de dood van Schreiber leek ook de nooit opgerichte stichting verdwenen tot De Herder een jaar of zeven geleden naar de notaris ging en metterdaad tot de European Art Union kwam met als doelstelling de bevordering van de schone kunsten in de vorm van boeken, exposities, cd's zelfs, en een tijdschrift.

Bij De Herder leeft sterk het idee dat minder bekende kunstenaars meer kansen moeten krijgen. Hun bestaan immers en hun werk zijn de humus op de aarde waarop de grote kunst kan groeien. Hij weet dat kleinere meesters dikwijls belangrijk werk leveren dat door allerlei nevenomstandigheden maar gedeeltelijk doordringt. Dit zeggend zal hij ook aan zijn eigen opslagplaatsen denken. En ook aan anderen zoals de Kurt Khale uit zijn jeugd en aan de onpraktische Paul Bruno Schreiber, die ondanks hun talenten naamloos bleven.

Zijn stichting heeft inmiddels boeken voortgebracht met zijn eigen foto's (één daarvan met een tekst in het esperanto) en het museum annex galerie in Zijderveld. Zij is gevestigd in een vroegere vloedschuur van een boerderij die wordt bewoond door een artistieke medestander. Een der eerste projecten van de stichting is het behoud van het immense archief met glasplaten en negatieven in groot- en kleinbeeld. Het archief, voorzover nog niet verpakt in zuurvrij papier, wordt bedreigd door een bacterie die een chemische reactie in de emulsies veroorzaakt. De negatieven worden dan aangetast met als kralensnoeren verlopende beschadigingen. Het stoppen van dat proces en het verder conserveren en openleggen van het archief is een der eerste taken. Dan zijn er verblekende historische foto's die moeten worden gereproduceerd en zo behouden.

Er wordt ook gewerkt aan een expositie rondom de legendarische Alexandrine Tinne, een schatrijke zonderlinge uit de vorige eeuw die fotografeerde en een koets als donkere kamer inrichtte. Ze reisde met groot gevolg naar nog wilde gebieden in bijvoorbeeld Afrika waar ze na een bizar leven werd vermoord. Een fotoboek over haar is al uitgegeven. Er is natuurlijk ook De Herders beeldende kunst die hem snijdend, hakkend, zagend en plakkend bezighoudt.

Een plan dat kennelijk tijdens ons gesprek bij hem opkomt: “We gaan elk jaar tegen het einde van het seizoen in oktober Myrthe en de Demonen vertonen, laten we zeggen vijftien keer. Het moet een traditie worden, net als de Dreigroschenoper vroeger in de Uitkijk in Amsterdam.” Hij citeert Kurt Schwitters: “Ik blijf spelen tot de dood mij komt halen.”