Een mooie glans aan het miezerige leven

Het zal februari 1942 zijn geweest. Ik had kiespijn en ging naar de tandarts. Hij had er drie kwartier voor nodig om de verstandskies te trekken. Ik liep naar mijn ouderlijk huis en mijn moeder kookte pap voor me. Ik ging naar mijn kamer. Vroeg in de avond kwam een vriend op bezoek.

Hij had een stencil bij zich dat ik mocht lezen: A. Roland Holst, In memoriam Charles Edgar du Perron et Menno ter Braak. Obierunt Idibus V MCMXL. Het bleek de aangrijpendste poëzie die ik óóit had gelezen. Op advies van mijn moeder nam ik later mijn temperatuur op. Ik had veertig graden koorts.

Met het talent en de werkkracht van A.F.Th. van der Heijden zou ik van deze anekdote een roman kunnen maken. Rotterdam 1942, vlakte met noodwinkels hier en daar, ik werkte in een boekhandel. De jonge tandarts die uitgeput zei: “Ik probeer het nog één keer” en eindelijk slaagde. Mijn meelevende moeder. De vriend die op bezoek kwam, een jood, iets jonger dan ik die twintig was. Hij verkocht mij boeken, vooral van Duitse emigranten, blijkbaar weggedaan door angstige bezitters. Vlak na de oorlogsdagen het bericht dat Ter Braak en Du Perron dood waren, de herinnering aan de schok. En nu de gedichten van de ondergangsprofeet A. Roland Holst die hen trots herdacht. Ik heb geen geheugen als Van der Heijden, ik kan me zelfs die kamer van toen niet meer herinneren. Wat ik me wel herinner is dat ik, in mijn koortsdelirium, het besef had dat in deze drie gedichten alles was uitgedrukt wat uitgedrukt moest worden: dit was de oorlog, dit was de rouw.

Niemand, al heeft hij veertig graden koorts, kan de gedichten nog zo lezen als ik ze toen las. Kan iemand ze überhaupt nog lezen? Vele jaren geleden schreef K.L. Poll al in deze krant dat het In memoriam baarlijke onzin was. Het is niet moeilijk hem gelijk te geven. De dichter bedacht deze constructie: de wereld, ook de Stad of de Machine genoemd, heeft de Schoonheid, ook Helena of Deirdre genoemd, geschonden en verloochend. Al sinds lang. Maar de Schoonheid is de Ontembare en listig. Degenen die haar het meest haten, de nationaal-socialisten, brengt zij ertoe om in blinde waanzin de wereld te vernietigen. Dat gaat in de laatste twee strofen van het eerste gedicht zo toe:

Zo bar werd de ontrouw, dat zij door bezeten

ketters haar wraak ontketent, en het haar

koud laat of deze weten of niet weten

wat of zij doen, als zij de wereld maar

brengen in doodsgevaar.

'k Voorvoelde 't jaren lang en nu het

doorbreekt loop ik vol leven, ik sta blank en wacht

de springvloed, en mijn oog smeekt en mijn

oor

dat ik het waar mag nemen voor de nacht

valt waar het graf mij wacht.

Op mijn twintigste geloofde ik vast en zeker niet dat het zo toeging. Maar de walging, de wanhoop meende ik met Roland Holst te delen en ik had graag de ondergang als een triomf willen beschouwen. Hoe absurd het verhaaltje ook was, de toon, de teneur gaven sombere, mooie glans aan het miezerige leven van slachtoffer, ze maakten er tragedie van. Ik ben Holst trouw gebleven, ook toen mijn bestaan in Duitse werkkampen nog grauwer werd. Hij is voor mij de dichter van de oorlog. In de verwachting van de ondergang was hij op zijn vervaarlijkst. Voor de 'zanger' heb ik nooit veel gevoeld.

Ik doe hem onrecht, en mijzelf ook. Want het In memoriam mag visionair en apocalyptisch zijn, het is óók heel hartelijk. De twee doden van de meidagen 1940, polemisten, en de oudere dichter van mythen:

Hun zin was niet mijn zin, en tot de jaren

waarin wij vrienden werden, wist ik niet

dat ik eens woordvoerders zoals zij waren

met trots zou noden binnen het gebied

dat mij de wereld liet -

en nóg wel laat,- ik zeg het haast met

schaamte

denkend aan hen, en aan die wereld, waar

zij inderhaast niet meer dan hun geraamten

aan gunden, waar zij stonden naast elkaar

voor de afreis kant en klaar.

Dat de een den dood moest roepen, die den

ander

toen snel ontbood - 't is bijzaak voor wie blijft

binnen een Troje dat ontploft in branden

en met als Helena een dor wild wijf

dat jammerschreeuwt en kijft.

Voor goed begrip moet je weten dat Ter Braak zelfmoord heeft gepleegd en Du Perron aan een hartaanval is gestorven. In 1940 is deze poëzie geschreven. Zou er een jonge lezer bestaan die er iets anders in ziet dan holle retoriek? Zou er een jonge lezer bestaan die zich kan identificeren met een jonge lezer van toen? Is het gedicht voorgoed voorbij? Bestaat het nog alleen in het brein van oude mensen die er indertijd door gechokt werden? Je verneemt steeds weer dat Roland Holst als dichter verdwijnt. Anekdotes over een ijdele schuinsmarcheerder die zijn bon mots tot in den treure herhaalde, wordt dat zijn soort vergetelheid?

    • Alfred Kossmann