De goddelijke kracht van het woord; Apocriefe en canonieke vertellingen in roman van Paul Claes

Paul Claes: De Zoon van de Panter. Uitg. De Bezige Bij, 118 blz. Prijs ƒ 24,90.

Wat is de bijbel? Volgens sommige, recht-in de-leer-gelovigen Het Woord van God; andere, modernere lezers, noemen het boek een compilatie van teksten, samengesteld door een willekeurig groepje mensen, dat op een gegeven moment besloot dat dit het maar moest wezen. Al sinds het ontstaan van de bijbel hebben gelovigen en exegeten dan ook geworsteld met apocriefe verhalen, die niet tot de officiële keuze behoorden.

De gedachte dat de bijbel een willekeurige selectie is, heeft altijd tot veel speculaties geleid over de oorsprong van de verhalen. In zijn nieuwe roman De Zoon van de Panter waagt ook Paul Claes zich daaraan door een intrigerende mengeling van apocriefe en canonieke vertellingen te presenteren met maar een doel: de zoektocht naar een waarheid over Christus.

Als uitgangspunt nam Claes het Evangelie van de Twaalf, het verhaal van Christus, verteld door zijn twaalf apostelen. Dit evangelie is nooit gevonden, maar wordt vermeld in de geschriften van Origenes en Hieronymus. Claes heeft er nu een 'apocriefe reconstructie' van gemaakt: twaalf personages, al bekend uit het Nieuwe Testament, vertellen het verhaal van een dertiende, Christus.

De nadrukkelijk bijbelse thematiek maakt De Zoon van de Panter in eerste instantie een roman voor lezers die al enigszins op de hoogte zijn van de Christus-verhalen die in het Nieuwe Testament worden verteld door de vier evangelisten - met al hun verschillen in volgorde en interpretatie. Claes lijkt eropuit die verschillen te benadrukken. Met recht, want die verschillen zijn het intrigerendst, hoewel ze soms op het mallotige af zijn, zeker voor wie het traditionele Christusverhaal gewend is.

Een van de belangrijkste twistpunten in De Zoon van de Panter is de rol van Maria in het leven van Jezus. De getuigenis van de twaalf begint nog traditioneel-apocrief met het verhaal van Mattheüs, die vertelt hoe Maria door God werd geschonken aan haar ouders Joachim en Anna, die haar later afstonden aan de tempel. Vervolgens lopen de getuigenissen over haar leven steeds meer uiteen. Zo wordt zij voorgesteld als de moeder van een tweeling, want de apostel Thomas presenteert zich als de tweelingbroer van Jezus; Philippus noemt Maria 'Mirjam', en Judas suggereert vervolgens dat Jezus bij ene 'Miriam' is verwekt, niet door God of Jozef, maar door een Romeinse soldaat die zich Panthera - 'de panter' noemde. Daarmee begeeft Judas zich theologisch op glad ijs - aan de geboorte van Jezus is geen God meer te pas gekomen - maar dat lijkt nu weer precies Judas' doel te zijn: hij wil iedere goddelijke aanspraak van Jezus minimaliseren, om zodoende zijn eigen verraad minder ernstig te maken.

Claes maakt het de lezer niet gemakkelijk met zijn bijna bijbelse stijl - enigszins archaïsch, met veel verwijzingen naar profeten. Daar staat tegenover dat hij iedere apostel een duidelijk eigen stem heeft gegeven: Mattheüs is een rustige verteller, Simon een prediker die praat in Nieuw-testamentische retoriek en Johannes, de jongste, is berouwvol en weifelend.

Door die literaire, persoonlijke vorm maakt Claes duidelijk dat hij er met De Zoon van de Panter niet alleen op uit is om de betrekkelijkheid van de bijbel aan te tonen. De roman opent met een proloog van een oude kluizenaar die zichzelf Paulus de Anachoreet noemt en die aankondigt het Evangelie van de Twaalf in een grot te gaan verstoppen (een verwijzing naar de Dode Zee-rollen). Paulus worstelt met 'het woord' en is na jarenlange overpeinzing tot de conclusie is gekomen dat God alleen kan bestaan als hij alles en eeuwig is: 'De Ene heeft geen vorm en geen eigenschappen. Daarom is hij volmaakt. Omdat hij tijdeloos is, is hij eeuwig. Omdat hij nergens is, is hij overal. God is het Zijn zelf. Daarom is hij ook alle zijn: het werkelijke en het mogelijke. Omdat hij al het mogelijke is, is hij almachtig. Omdat hij almachtig is, kan hij zelfs de eigen volmaaktheid afleggen en zich met vorm en eigenschappen bekleden.' De conclusie van deze volmaakte cirkelredenering is dat God alles is, maar ook niets, want 'Alleen in de eeuwigheid zullen onze woorden samenvallen met zijn waarheid.'

Tegen deze achtergrond zijn de twaalf getuigenissen van de apostelen volgens Claes geen tegenstrijdige verklaringen meer, maar een twaalfvoudig bewijs van Gods veelvuldigheid, die samenkomt in het Woord - Gods verschijningsvorm op aarde, net als Hij eeuwig en onvoltooid. En daar zit 'm de diepste betekenis van Claes' 'herdichting': De Zoon van de Panter wil een bewijs zijn van de kracht, de goddelijke kracht, van het woord - en dus eigenlijk van de literatuur. De goddelijke waarheid mag dan alomvattend zijn en de discipelen kunnen elkaar tegenspreken wat ze willen, wat overblijft is het woord dat God is; de literatuur neemt alle verhalen aller tijden vorstelijk onder haar hoede.