Daar schittert de zeppelin; De kunst van het vliegen

De exposities Die Kunst des Fliegens in Friedrichshafen en Comme un oiseau in Parijs hebben verwante titels. Maar in Friedrichshafen is geen vogel te bekennen en in Parijs zoek je tevergeefs naar Icarus of een wonderlijke vliegmachine. “De kunst van het vliegen is grenzeloos. Wie het aandurft om een opkijkend meisjeskopje uit 1906 met de titel Gedachtenvlucht onder luchtvaart te laten vallen heeft veel te bieden.”

Zeppelin Museum Technik und Kunst, Hafenbahnhof, Seestrasse 22, Friedrichshafen; di t/m zo 10-17u, do tot 20u, ma gesloten. Die Kunst des Fliegens duurt tot en met 26 oktober. Friedrichshafen heeft een vliegveld; wie uit Schiphol vertrekt moet in Frankfurt overstappen.

Aldaar te koop: Christel und Helmut Voith Zeppelinstadt Friedrichshafen, Verlag Robert Gessler, DM 24.-. Eugen Bentele Ein Zeppelin-Maschinist erzählt, Zeppelin-Museum, 1992, DM 9.80.

Comme un oiseau, Fondation Cartier, 261 Boulevard Raspail, Parijs (metro Raspail); dag 12-20u, do tot 20u, ma gesloten. T/m 13 oktober.

Hardop zegt de suppooste dat ze het meer nu even in het echt moet zien, net of ze de bezoekers van haar spaarzame verplaatsingen op de hoogte wil houden. Op de bovenste verdieping van het tot museum verbouwde station loopt ze naar het enige niet geblindeerde raam. Ze tuurt over de plezierboten aan de kade van Friedrichshafen naar de nevelige Zwitserse bergen aan de andere kant van het water. Daarachter moeten Konstanz en Zürich liggen.

Achter haar, aan de muur, hangt hetzelfde landschap, niet één schilderij, maar wel vijftien voorstellingen van het Bodenmeer. Ze zijn in de negentiende eeuw gemaakt door kunstenaars met sierlijke namen als Franz Seraph Stirnbrand, Christian Landenberger en Wendelin Moosbrugger. 't Is of ze met elkaar hebben afgesproken dat het meer en de bergen in weeë marsepeinpastels moeten worden gedoopt. De aankomst van een stoombootje is de belangrijkste gebeurtenis.

Gisteren was het op de in een promenade veranderde oever knallend druk. Biertenten, muziekhallen en kermisattracties stonden een halve kilometer zij aan zij. Geweerschoten, geklets uit duizenden kelen, galmende elektrische gitaren, bellende en kermende draai- en toltoestellen, al dat geluid had zich in elkaar verwaaid, als niet meer te ontwarren verknoopte wol.

Rijen mensen slingerden zich door elkaar. Een doel leek er voor niemand meer te zijn. Boven dit veld van bewegende hoofden staken lange oren uit. Of ze bewogen onder je, op het hoofd van een kind. Steeds zag je ze weer, rode, gele, blauwe en zelfs oren van gespikkeld satijn. Veel mensen hadden zich als een haas verkleed of was het een konijn? Niet te zeggen waarom ze juist als dit dier met vakantie wilden. De reddingsboei aan dat hek kon je het best in het publiek gooien dan wist een voorbijganger misschien nog door de lucht te ontsnappen.

De suppooste vertelt me van wie de oren zijn. In dit meer leeft een haas die eeuwen geleden op een dag in juli voor het eerst door de waterspiegel brak. Sindsdien doet hij dat elke zomer en omdat het een buitengewoon vriendelijk dier is, neemt hij geschenken voor de kinderen mee. De meerhaas is het wonderdier van Friedrichshafen.

Komt hij dan ook niet op een van die meergezichten voor? De haas blijft onder water. Misschien zou hij een bespotting van de negentiende-eeuwse idylle zijn geweest. Toch bestaat er een verband tussen z'n goedgeefse juli-karakter en de reden waarom dit station in een museum is veranderd.

Op 2 juli 1900 dreef op dit meer een echte hangar. Het was windstil. Om 8 uur 's avonds gingen de deuren van de overkapping open. Een inderdaad sigaarvormige ballon werd langzaam naar buiten geschoven. De duizenden mensen op de oever zagen voor het eerst het met waterstofgas gevulde Luftschiff Zeppelin 1. De touwen werden losgetrokken en de op twee Daimler-motoren van vijftien paardekracht draaiende propellers dreven het schip tot vierhonderd meter hoogte de lucht in.

Monument

Met veel nieuwe aanwinsten is dit jaar het Zeppelin Museum Technik und Kunst historisch nauwkeurig op die befaamde tweede juli opengegaan. Friedrichshafen was in de nacht van 28 april 1944, compleet met de zeppelin-collectie, zo goed als weggebombardeerd. Het op 7 maart 1933 geopende witte station is een voorbeeld van de Duitse Nieuwe Zakelijkheid dat de oorlog heeft overleefd. Dit strakke gebouw werd officieel een monument. Het architectenbureau Jauss + Gaupp mocht het met een nieuwe ruimte van drie verdiepingen en twee galerijen tot een museum met een oppervlak van vierduizend vierkante meter uitbreiden.

Binnen herinnert de onaangepaste brede trap van gepokt oorlogsgrijs aan de loop der treinen. In de hal hoor je het opgewonden geroezemoes van volwassenen en vooral veel kinderen. Ferdinand Graf von Zeppelin (1838-1917) is hun held. Op 25 maart 1874 maakte hij in z'n dagboek de eerste aantekening voor een luchtschip. Er zouden vanaf 1900 119 zeppelins worden gebouwd. In april 1940 zijn de laatste twee op bevel van rijksmaarschalk Hermann Göring vernietigd. En al werden ze wel in de Eerste Wereldoorlog gebruikt, 't is toch of in dit museum nu eens een recent deel van de Duitse geschiedenis kan worden gevierd zonder dat het met verlate schuldgevoelens gepaard hoeft te gaan.

Techniek of kunst?

Op de begane grond zie je geen brave pastels van het Bodenmeer. Hier is de expositie Die Kunst des Fliegens ingericht. De schilderijen, beelden en foto's horen niet tot de vaste collectie. In de ruimte rechts van de stationstrap zullen wisseltentoonstellingen worden gehouden die met de luchtvaart in verband staan.

De kunst van het vliegen is een grenzeloos onderwerp en conservator Maria Christina Zopff vult het zo vindingrijk in dat de expositie een verhaal wordt. Wie het aandurft om een opkijkend meisjeskopje uit 1906 met de titel Gedachtenvlucht onder luchtvaart te laten vallen heeft veel te bieden.

Zopff zet voor onze hoogtebehoefte een licht historische lijn uit. Icarus tuimelt driehonderd jaar na Christus op een kruikje van rode aarde omlaag zonder ooit de grond te bereiken. Zestien eeuwen later is hij nog niet eens opgestegen. Hij staat op een rots en test de sterkte van z'n vleugels.

Leonardo da Vinci lijkt aan het eind van de vijftiende eeuw het scherm voor Otto Lilienthals glijvluchtproeven van 1894 te ontwerpen. Even verder stijgt een groep jagers te paard de lucht boven Parijs in, elke ruiter wordt voortbewogen door z'n persoonlijke ballon, zo hoeft hij in 1814 niet meer vanaf die verre grond op vogels te schieten.

Luchtacrobaat

Ik ben alleen. Het jankt en zeurt in m'n lendenen, waarom wil niemand dit moois zien, waarom kijkt hier niemand naar... Max Beckmann laat in 1928 een luchtacrobaat ondersteboven op een tuba spelen. Hij hangt met z'n benen aan de gondel van de ballon. En er zijn zelfs schilders die iets hebben vastgelegd wat je anders alleen maar op een mislukt kiekje ziet, het scheef naderbij komend landschap als je net over de vleugel kijkt met zo'n door de hoge snelheid wegdraaiende stad.

Daar schittert de zeppelin boven het Empire State Building, het gebouw dat eens de aanlegplaats moest worden. 't Is een affiche uit '36 voor passagiersvluchten, in twee dagen van Friedrichshafen naar New York! Sinds '32 vlogen ze al naar Zuid-Amerika, in '29 ging het om de wereld, in '24 voor het eerst over de Atlantische oceaan...

In 1960 laat de schilder Franz Radziwill Icarus na al die eeuwen dan eindelijk neerstorten. Daar ligt hij met opgetrokken knieën aan de oever van een idyllisch meer. Z'n gezicht is jammer genoeg niet te zien. Dat gaat schuil achter een rots.

Julia Lohmann beschildert in 1989 een verroeste vleugel, die zij op het vliegtuigkerkhof van Los Angeles heeft gevonden, maar het mooiste beeld van bewegingsvergankelijkheid geeft Renato Niemis met het - uit het Londense Imperial War Museum afkomstige - werk Inconnu (1995).

Het is een rechtopstaande kast van negentig met glas bedekte vakjes. Achter elk raampje is een klein modelvliegtuig geprikt. Vleugels en romp zijn beschilderd met de voor een land kenmerkende symbolen. Er wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen Japan en Engeland, Amerika en Duitsland, Frankrijk en Rusland. Het is een kast vol gestorven vliegeniers, een vlinderkerkhof met vijftien lege plekken voor de piloten die onvindbaar zijn gebleven.

Dit is een privé-show. Nog steeds is er niemand binnengekomen. De kracht van de zeppelin is zo groot dat ook ik nu naar boven word gezogen, en of Die Kunst des Fliegens op dit kleine deel van die vierduizend vierkante meter maar een voorgerecht is en het werkelijke opstijgen boven m'n hoofd begint.

Wie de stationstrap oploopt, komt in een hal waar de zeppelin ontleed is uitgestald. Fragmenten van het aluminium geraamte, gondels voor de motoren, propellers, een boegspits, de motoren zelf, ankers, een radio-ontvanger, ballonlappen van met aluminiumpoeder bestreken katoen en talrijke andere onderdelen wachten hier op ingenieurs en werktuigkundigen.

Je hoort het ook aan de losse opmerkingen en gesprekjes van de bezoekers. Het stuurwiel, het kompas en de commando-telegraaf moeten hier niet werkeloos liggen. Ze dienen op te gaan in een nieuwe zeppelin, de laatste misschien, om het hele publiek vanuit Friedrichshafen voor een vlucht met onbekende bestemming over het meer te laten opstijgen.

In de langwerpige galerij over de geschiedenis van het luchtschip draagt een jongen nog steeds de oren van de al weer ondergedoken meerhaas. Hij mompelt de ongelofelijke cijfers aan de wand tevreden voor zich uit. Op het laatst was de zeppelin 245 meter lang, had hij een doorsnede van 41 meter en kon hij bij een gasvoorraad van tweehonderdduizend kubieke meter een gewicht van twintigduizend kilo aan passagiers, post, vracht, proviand en drinkwater vervoeren.

Een verrekijker met tas, een koffieservies met gouden rand en de initialen LZ en zelfs een sneeuwschop. Daar hangt het witte jasje van een hofmeester. Het stamt uit 1935. Elke gouden knoop is gesierd met het vignet van een adelaar. Hij heeft de wereldbol waaraan een hakenkruisje bungelt in z'n klauwen.

“Weet u waarom de Hindenburg neerstortte?”, vraagt een oudere heer me.

“Nou?”

“Omdat de Amerikanen ons geen helium wilden leveren.”

Even later kijk ik vanaf een hoge gaanderij diep in het geraamte van de zeppelin die begin mei 1937 met 36 passagiers en 61 bemanningsleden in 66 uur naar Noord-Amerika vloog. Het is geen maquette, nee, dit deel van het luchtschip werd voor ruim zes miljoen mark op ware grootte nagebouwd. Toen het boven de landingsbaan van Lakehurst, vlakbij New York, vlam vatte, veranderde het binnen veertig seconden in een brandend skelet. Dat kostte 13 passagiers, 22 bemanningsleden en een man van het grondpersoneel het leven. Er wordt vermoed dat een vonk in ontsnappend gas terecht was gekomen.

De reconstructie is 32 meter lang. 50.000 klinknagels houden 12.000 aluminium platen bijeen. Om het origineel te benaderen werd in de jaren dertig gereedschap uit het eigen museum gebruikt. De blauwe beschermlak kon naar aanwijzing van de vroegere verfleverancier worden samengesteld. Een enkel compromis viel niet te vermijden. Zo werd 600 vierkante meter huid van de hier getoonde zeppelin niet meer van katoen gemaakt. Dat was te brandbaar.

Beneden bereikt de luchtreiziger over een smalle trap van het type klein vliegtuig het binnenste van de Hindenburg. Rechts zijn de slaapvertrekken, maar ik wil eerst naar het dek met de promenade.

De gezelschapsruimte staat vol oudmoderne stalenbuismeubelen. In de dure stof van rug en zitting zijn aangename abstracties geweven. Ze kunnen niet allemaal worden bekeken. Veel passagiers zitten hier wachtend op hun vertrek met elkaar te praten.

In de aangrenzende 'Schreib- und Lesesalon' is het stiller. Op de brievenbus staat de tekst 'Postschluss 18 Uhr'. Een vrouw zit aan een tafel onder het gele licht van een buislamp nu al een brief te schrijven. De wanden zijn opgevrolijkt met schilderingen in de luchtige bloknootvignetstijl van professor Otto Arpke. Z'n assistent Max Silten had de oorspronkelijke schetsen uit '36 van Italië, Japan, Groenland en enkele andere verre streken gelukkig bewaard.

De Hindenburg maakte in totaal 63 vluchten, landde achtmaal in Rio de Janeiro en elf keer in Lakehurst. Door de vensters in de gebogen wand naast de wandelgang zie je de wolken voorbij snellen. Ook op die laatste reis sliepen de passagiers twee nachten in slaapkamers met poppen-luxe.

Twee bedden boven elkaar, een opklapbaar schrijftafeltje, een garderobe-kast, een wastafel met warm water, een spiegel. Elektrisch licht, een schakelaar voor verwarming en ventilatie, een roepknop voor de steward. En zelfs een piepklein nachtkastje waarop een passagier in die laatste nachten van de Hindenburg een glas water zette.

Zo dicht mogelijk wilde hij het bij zich hebben om als hij wakker werd snel iets te kunnen drinken. Het glas maakte ook deel uit van een proef. Voor hij ging slapen, in die paar seconden voor hij wegzeilde dacht hij, zou het verschuiven, zou het water door een plotselinge beweging van het luchtschip over de rand schieten?

Vogels

Een paar dagen later zie ik in het glazen gebouw met die zichtbaar langs de achtergevel schietende liften van de Fondation Cartier in Parijs alleen maar vogels. Voor de hal heeft de Fransman Jean-Pierre Raynaud een ruimte ontworpen die het midden houdt tussen een badkamer, een kooi, een spiegelpaleis en een zandbak. Hierin heeft hij een groot aantal papegaaiachtigen losgelaten. Zonnepitten in met bloemen beschilderde stenen prullenmanden moeten de vogels op hun gemak stellen.

Dat zullen ze zich hier nooit voelen. Wat een spiegel weerkaatst is voor een vogel echt, kijk, daar botst weer een snavel tegen het glas.

Door het gebruik van levende vogels gaat Raynaud het gevecht aan met alles wat buiten z'n kooi vleugels heeft. In zijn Volière (1996) gebeurt zo goed als niets. Hoe kunnen de gevangen papegaaien het met al hun kleuren ooit winnen van het nummer dat de slimme vrije duif opvoert? Hij pikt z'n voer uit een kooi vol vogels voor de verkoop aan de Seine.

Comme un oiseau heet de expositie en natuurlijk staan de vrolijke machine-vogels van de Belg Panamarenko dan aan de andere kant van de hal. Beneden, onder de grond, is in schaars verlichte ruimtes het vervolg te vinden.

Zouden de Duitsers het met de Fransen op een akkoordje hebben gegooid? Die Kunst des Fliegens en Comme un oiseau, 't zijn nauw verwante titels. Toch is er in Friedrichshafen geen vogel te bekennen en zoek je in Parijs tevergeefs naar Icarus of een wonderlijke vliegmachine.

In Cartier heeft men weer eens gebruik gemaakt van de modieuze tegenstelling. Een Peruaans kleed van veren uit de achtste eeuw mag het opnemen tegen Nancy Graves' in 1973 gefilmde flamingo's. In 1886 opvliegende duiven van de fotograaf Etienne-Jules Marey houden de wacht bij een voorchristelijke steen van de Paaseilanden waarin een vogelman met ei is gekerfd. De vogel op de schouder van Césars schrootijzeren heer uit '54 moet wel iets te maken hebben met de schoolplaatvogels van de negentiende-eeuwse Jean-Jacques Audubon en Aloys Zötl. Maar wat? Het contrast is de gemakzuchtige truc van de tentoonstellingsmaker. Ketsend laat hij zien dat in al die eeuwen vogels steeds anders zijn afgebeeld en wie zit op die wijsheid te wachten? Wat in Cartier ontbreekt is de grillige fantasie van Maria Zopff. Zij is niet bang voor een verhaal, wijkt er vanaf en voedt het weer als met dat doek van de Rus Vladimir Tambi. Hij verenigt in het begin van de jaren dertig de hele vloot. Boven besneeuwde bergtoppen een passagiersvliegtuig, een klassieke ballon met gondel, een helikopter, twee dubbeldekkers, een zeppelin en daartussen wemelt het van de parachutes zonder dat je kunt zien welk vaartuig in moeilijkheden is geraakt.

Domme raaf

Toch zijn in Cartier enkele grootse stukken bijeengebracht. Johanasie Illauq maakt in 1988 van fossiele baleinen een reusachtige raaf die wortelt in de mythologie van de eskimo's. Verdwenen is de aan deze vogel zo vaak toegedichte agressieve adeldom. Illauq heeft genoeg humor om de raaf in z'n zelden waargenomen domheid te tonen: de kop is tussen de schouders weggezakt, de blik staat op verbijstering, het dier weet niet meer wat het met die veel te grote vleugels moet beginnen.

Met Zwevende zielen (1990) laat Rebecca Horn het geluid van een vogel beter horen dan Raynaud in die hele spiegelkooi. Aan hedendaagse baleinen heeft ze acht vellen bladmuziek van het lied 'Josephine' met regels als 'His bosom should heave and his heart should glow...' gehecht. Als deze vogel z'n beide klankparasolvleugels spreidt is het of je de muziek hoort, 'and his fist be ever ready for a knock-down blow...'

De gemummificeerde ibis die eens zo heilig bij een farao hoorde. Merce Cunninghams over zestien videoschermen vliegende Beach Birds, hun vleugels worden door de ruimte in het museum onderbroken. Het kopje van een buizerd uit de vorige eeuw, door William Turner bleef het bewaard, waterverf en potlood op papier. Hoe fraai die voorbeelden ook zijn, in Cartier blijft het een allegaartje dat niet van de grond komt.

Boven het Bodenmeer is de Hindenburg allang opgestegen. Er werd koers gezet naar Groenland om vervolgens over Halifax en Boston naar New York te vliegen. 's Nachts heeft de passagier geen geruis gehoord. Hij werd niet eens wakker om iets te drinken. Ook die laatste morgen stond het glas, zonder dat er ook maar een druppel uit was gevallen, op de plaats waar hij het had neergezet.