CDA bepleit gezinsbeleid zonder spruitjeslucht

DEN HAAG, 2 AUG. Het huishouden met twee deeltijdbanen als standaardmodel voor fiscale en sociale wetgeving, forse uitbreiding van de mogelijkheden voor kinderopvang, kinderbijslag alleen voor degenen die het nodig hebben, uitbreiding van regelingen voor zorgverlof.

Ogenschijnlijk betreft het een greep uit het zoveelste actieprogramma van een van de vele groeperingen die de 'vrouwenbeweging' rijk is. In werkelijkheid gaat het om een aantal van de ideeën die binnen het CDA circuleren als gevolg van de partijdiscussie over gezinspolitiek. Deeltijdwerk en kinderopvang als elementen van CDA-gezinspolitiek? Jazeker. CDA-politicus, maar vooral ideoloog Hirsch Ballin zegt het zelf: “De doelstelling van gezinspolitiek is een sociale, waarin een hogere waardering van de rol van de vrouw een cruciaal element vormt.” En voor wie toch nog mocht twijfelen aan de intenties zegt dezelfde Hirsch Ballin: “Zulke gezinspolitiek laat zich dus absoluut niet identificeren met het sombere beeld dat vanuit het verleden soms wordt geschetst van een gesloten of zelfs onderdrukkend gezinsverband met strikt gefixeerde, onbespreekbare rolverdelingen en met uitwassen tot aan incest toe.”

Gezinspolitiek zonder spruitjeslucht. Het staat allemaal te lezen in het dubbeldikke zomernummer van het blad Christen Democratische Verkenningen van het wetenschappelijk instituut van het CDA gewijd aan familie- en gezinsbeleid. Hierin wordt een tussenstand gegeven van het debat dat in de partij nu al weer bijna een jaar hierover woedt.

Het was bij de algemene politieke beschouwingen van vorig jaar september dat CDA-fractievoorzitter Heerma in de Tweede Kamer zijn pleidooi hield om een minister voor gezinszaken in te stellen. Deze figuur zou leiding moeten geven aan een “consequente, vooroordelen overboord zettende moderne gezinspolitiek”. Iemand die, zoals Heerma zei, “alle regeringsplannen moet beoordelen op de vraag in hoeverre zij het optimaal functioneren van het gezin bevorderen”.

Het voorstel van Heerma riep in eerste instantie hoon en vragen op. Hoon, omdat het koesteren van het gezin werd beschouwd als een nostalgisch terugverlangen naar de muffe geborgenheid van de jaren vijftig. Vragen, omdat onduidelijk bleef welk concreet beleid Heerma's minister van gezinszaken nu zou moeten uitvoeren.

Het waren vragen die ook volop bij het CDA zelf leefden. Heerma's voorstel voor een minister was niet het sluitstuk van een discussie over gezinsbeleid, maar veel eerder het startschot voor een debat dat ook in christen-democratische kring nog volop gevoerd diende te worden. Dat dit debat in het CDA geenszins is afgerond bewijzen de artikelen in Christen Democratische Verkenningen. In de diverse stukken overheersen de vraagtekens. Maar tegelijk is de richting die het CDA op wil wel duidelijk: gezinsbeleid is ook emancipatiebeleid.

Pagina 2: CDA wil mensen met kinderen financieel steunen

Wie in Nederland over gezinspolitiek begint, heeft veel uit te leggen. In nagenoeg alle bijdragen staat wat er vooral nièt onder een dergelijk beleid moet worden verstaan. De vooroordelen bij de buitenwereld zijn blijkbaar groot. Volgens beleidsmedewerker P. Cuyvers van de Nederlandse Gezinsraad lijkt het er sterk op dat de gezinsdiscussie tot nu toe is bepaald door twee groepen. “De één wil op het drijfzand van het traditionele gezin bouwen en op het spook van de individualisering schieten, en de ander doet het omgekeerd: schieten op het spook van het traditionele gezin en bouwen op het drijfzand van de individualisering”, zo schrijft hij. In werkelijkheid staat de “hedendaagse gezinswerkelijkheid” volgens hem haaks op beide interpretaties. Het gezin is modern geworden, maar niet ontbonden in factoren, aldus Cuyvers. Hij meent dan ook dat het hoog tijd wordt dat de ideologische spiegelgevechten worden beëindigd waardoor er ruimte komt voor een pragmatische benadering.

Alle bijdragen van CDA-politici in het themanummer getuigen van deze pragmatische, aan de ontwikkelingen aangepaste benadering. De kernvraag waar het CDA altijd voor staat, is wanneer de eigen verantwoordelijkheid van individuen, samenlevingsverbanden of organisaties eindigt en waar de rol van de overheid begint. Soevereiniteit in eigen kring is niet voor niets een uitgangspunt van de christen-democratie. Voor de overheid is vooral een 'voorwaardenscheppende' rol weggelegd. De voorwaarden komen neer op het scheppen van gelijke kansen: voor mannen en vrouwen in het gezin en voor het gezin tegenover andere verbanden. Concreet komt de gezinspolitiek neer op sociale en fiscale politiek.

Centraal daarbij is het idee dat huishoudens met kinderen in financieel opzicht niet in een totaal achtergestelde positie moeten komen te verkeren vergeleken bij huishoudens zonder kinderen. Want, zoals Hirsch Ballin stelt is het hebben van kinderen “maatschappelijk van een andere orde dan het aanschaffen van een tweede auto of een extra dure vakantie. Zij zijn de toekomst van de samenleving”.

Veel van de concrete suggesties komen neer op extra financiële ondersteuning voor huishoudens met kinderen. Dat kan door hogere kinderbijslag, of door extra fiscale aftrekposten voor mensen met kinderen. Maar daarnaast moet het partners in een huishouden met kinderen makkelijker worden gemaakt 'zorgtaken' en het verrichten van betaalde arbeid te combineren.

Het verst gaat plaatsvervangend directeur C.J. Klop van het wetenschappelijk instituut van het CDA. Volgens hem moet het CDA resoluut afstand nemen van het lange tijd gekoesterde kostwinnersmodel. Niet omdat het niet zou deugen, maar omdat het niet meer bestaat. Klop: “Dat was in zijn tijd een liefdevolle vorm voor huwelijk en gezin, die in de toenmalige omstandigheden als een verworvenheid werd ervaren vergeleken met de situatie van noodgedwongen vrouwen en kinderarbeid in de vorige eeuw.” Nu is er sprake van een verzelfstandiging binnen relaties.

Klop beschouwt deze verzelfstandiging als een gegeven. Arbeid en zorg worden binnen huishoudens vaker door twee mensen gezamenlijk verricht. Hij vindt het dan ook voor de hand liggen dat het CDA het huishouden met twee deeltijdbanen als standaardmodel gaat hanteren. De term standaard betekent volgens hem dat de overheid een bepaald prototype van het gezin als uitgangspunt neemt voor haar beleid zonder daarmee alle andere varianten te verbieden. Klop: “Net zoals het kostwinnersmodel in de jaren vijftig het standaardmodel was waarop alle sociaal-economische regelgeving was afgestemd zonder de alleenstaanden te discrimineren, zo zou ook thans het huishouden met twee deeltijdbanen het standaardmodel kunnen worden.” Het is een idee dat in de verte raakvlakken heeft met pleidooien van Marcel van Dam een jaar of tien geleden voor een 25-urige werkweek.

Overigens zijn de suggesties van Klop duidelijk te revolutionair voor voorzitter Westerlaken van het Christelijk Nationaal Vakverbond. Voor hem is het namelijk nog maar de vraag of alle vrouwen zo graag buitenshuis willen werken. Hij spreekt in dat verband van een “grachtengordelcultuur” die “dankbaar wordt aangegrepen door beleidsmakers, gesteund door instituties als de Emancipatieraad die nog altijd denken dat de ziel en zaligheid van vrouwen ligt in een betaalde baan”.

Resteert de vraag hoe het nu zit met die minister voor gezinszaken van CDA-fractievoorzitter Heerma, waarmee het debat over de gezinspolitiek vorig jaar een impuls kreeg. Opvallend is dat die in de diverse artikelen nauwelijks meer wordt genoemd. Alleen de Nijmeegse hoogleraar empirische gezinspedagogiek J.R.M. Gerris gaat uitvoerig op dit instrument in. Volgens hem is het een misvatting dat een minister voor gezinszaken niet nodig is vanwege het enkele feit dat zich rond de opvoeding weinig problemen voordoen. Gerris: “Ministeries zijn ervoor om een zodanige structuur van beleid, regelgeving en stimulering te bouwen dat de samenleving mobiel blijft. Daar valt onderhoud en uitbouw van wat 'goed' is even goed onder als het oplossen van knelpunten.”

Over het budget van een minister voor gezinszaken heeft hij zijn gedachten ook al laten gaan. Als opvoedings- en gezinsrelaties een wezenlijk onderdeel vormen van de sociale infrastructuur, zou de begroting van het nieuw te vormen departement de omvang kunnen hebben van het budget voor de natte en droge infrastructuur van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, vindt Gerris. Hij praat dan over een bedrag van meer dan zeven miljard gulden per jaar. Daarmee zou de minister van Gezinszaken net iets meer te besteden hebben dan de minister van Ontwikkelingssamenwerking.

    • Mark Kranenburg