Als ze me nu eens konden zien!

Met 'Ik Jan Cremer' vestigde Jan Cremer het oerbeeld van de vrijgevochten Hollandse jongen, die zich niks laat vertellen. Wie de roman nu leest, zoekt tevergeefs naar de stoere jongen op de motor. “Eigenlijk wil Jan Cremer helemaal niet neuken.” Korte serie over boeken die eens een onuitwisbare indruk maakten.

Het knalt nog steeds: Jan Cremer wijdbeens op zijn motor, snel, ongenaakbaar, de lezer tartend met een onverstoorbare penoseblik onder de grote pet. DE ONVERBIDDELIJKE BESTSELLER, staat er, vierde, vijfde, zesde, zevende druk, in grote stempelletters. Kijk ruim dertig jaar na verschijning naar het omslag van Ik Jan Cremer, en je gaat zo weer overstag.

Die foto is niet gedateerd, maar een oerbeeld geworden. Het is het portret van een mythisch type: de vrijgevochten Hollandse jongen die zich niks laat vertellen en de dingen bij de naam noemt, die erop los beukt wanneer burgerlijke mannetjes hem willen dwarsbomen, een liefhebber van stevige, een beetje boerse seks met veel vrouwen, maar wel een die ondertussen een reusachtig, romantisch bonkend hart in zijn borst draagt. Deze jongen op zijn motor staat voor vrijheid tegenover gezapigheid, eerlijkheid tegenover hypocrisie, bravoure tegenover braafheid. Hij staat, kortom, voor Holland tegen Nederland.

De geschiedenis van dat type heeft sinds het verschijnen van Ik Jan Cremer in 1964 veel kronkelige vertakkingen gekend, criminele (meesterkraker Aage M., de Heineken-ontvoerders), artistieke (Herman Brood, Rob Scholte) en karikaturale (Theo van Gogh), maar het personage Jan Cremer overtreft hen allemaal in zijn krachtige eenvoud. Hij voorspelt het zelf al in zijn boek: 'Het geeft je een important gevoel als je weet dat elke activiteit scherp gevolgd wordt en bij succes nagevolgd. Nu ik dit boek geschreven heb en het (ongetwijfeld) een bestseller gaat worden, zullen er kunstschilders als paddestoelen uit de grond schieten om ook hun 'crimineel', 'avontuurlijk' of 'seksueel leven' te beschrijven.'

Dat die mythe voor Cremer zelf, inmiddels zesenvijftig en al twintig jaar innig tevreden met dezelfde vrouw, de benauwdheid van een isoleercel moet hebben gekregen, viel op te maken uit een interview afgelopen week in HP/De Tijd: voor de buitenwereld moet de kunstenaar blijven roepen dat hij het neuken in Nederland heeft uitgevonden. Hij moet altijd 24 jaar oud blijven en mag nooit meer van zijn motor afstappen. En doodgaan kan al helemaal niet.

Dat laatste zou ook een vernederende nederlaag voor Cremer zijn, want wie Ik Jan Cremer leest, krijgt al snel in de gaten dat het helemaal niet over het vrije leven gaat. Het is een boek over overleven. Kansarm op kansloos af, geslagen en gekoeioneerd, verschopt en verlaten; het zal niet gemakkelijk zijn om in de Nederlandse literatuur een personage te vinden dat meer gekneusd is dan de jonge Jan Cremer. Hij groeit op in een achterbuurt, wordt uit huis geplaatst, verhuist van pleeggezinnen naar tehuizen en weer terug, krijgt harde klappen, wordt gebruikt en uitgebuit.

Wie het boek nu voor het eerst leest, zoekt de eerste tweehonderd bladzijden tevergeefs naar de jongen met de motor. De jonge Jan tart zijn omgeving met zijn opstandigheid, in instellingen, jeugdgevangenissen en op de werkvloer, maar het is de ongerichte rebellie van een slachtoffer, van een kind dat in de steek gelaten is. Zijn jongensbravoure is onmachtig, zijn grootspraak krampachtig op het schrijnende af. In werkelijkheid legt hij het steeds weer af tegen zijn omgeving. Vrijwel ieder avontuur eindigt met een keiharde nederlaag. Na een ontsnapping uit een werkkamp, verteld als schelmenverhaal, wordt hij meteen weer in zijn kraag gegrepen en gestraft. Zijn leven op de grote vaart blijkt al snel de hel op aarde, het vreemdelingenlegioen idem dito.Zijn recalcitrantie staat afgetekend tegen een wereld van verschrikkingen.

Dat is verrassend, want zo komt de jongen met de motor in een heel ander licht te staan. Keer op keer vermeldt Cremer dat hij 's nachts ligt te janken van eenzaamheid. Ik Jan Cremer is geen vrolijk boek en Cremer is geen Tijl Uilenspiegel. Het verhaal zelf wordt telkens onderbroken door uitzinnige wraakfantasieën, waarin de jongen zijn kwelgeesten genadeloos afslacht. Gruwelijk is de scène in het abattoir, waar Cremer tijdelijk werkt temidden van de dode varkens; ook in die bloedrode omgeving is er een beul van een opzichter die Jan naar het leven staat. Dat de schrijver meteen daarna weer overschakelt naar die toffe kijk-mij-eens toon, onthult alleen nog maar meer. Al die scheepsjongensromantiek van zuipen en naaien, van vrouwen met grote borsten en priemende tepels, maskeert nauwelijks zijn verlangen naar geborgenheid. Eigenlijk, dat wordt de lezer tussen de regels steeds opnieuw meegedeeld, wil Jan Cremer helemaal niet neuken. Dat grote bonkende hart blijkt verbazingwekkend klein te zijn. Naar het einde van het boek toe valt Jan Cremer, dan inmiddels een even ruige als spraakmakende kunstenaar in Parijs en Ibiza, wel samen met de foto van jongen op de motor - maar als lezer weet je dan al te veel van hem.

Zijn achtergrond maakt Cremer allesbehalve tot het onafhankelijke personage dat we allemaal best zouden willen zijn. Hij neemt wraak op de wereld, maar is er ook afhankelijk van. Als ze me nu eens konden zien! Dat zinnetje loopt als een rode draad door zijn relaas. Alles wat hij doet, moet gezien worden. Er wordt meeslepend geleefd: vrouwen worden veroverd, vijanden onschadelijk gemaakt, bedriegers bedrogen, maar de indruk die Ik Jan Cremer achterlaat is vooral die van een kat die elk muisje dat hij gevangen heeft trots naar zijn baasje brengt.

Dat de schrijver zich hiervan niet bewust is, spreekt voor zich. Angst, kwetsbaarheid, afhankelijkheid, de dood zelf, het moet allemaal onzichtbaar en onschadelijk gemaakt worden. Die blinde vlek, groot en onmiskenbaar, maakt dit boek paradoxaal genoeg authentiek en, zeker in het begin, ontroerend. Mensen kunnen niet al te veel werkelijkheid verdragen, dichtte T.S. Eliot, en wie de verhalen over de jonge Jan Cremer leest, begrijpt best dat hij zijn ogen af en toe stijf dichtknijpt. De strijd waarin hij verwikkeld is, is namelijk geen strijd tegen autoriteit of burgerlijke gezapigheid. Dat leek maar zo in 1964. Het is een strijd tegen het leven zelf. Dat die strijd niet te winnen valt, is een boodschap die alleen grote schrijvers verteerbaar kunnen maken. Jan Cremer is geen groot schrijver, wel een echte.

Ik Jan Cremer is op dit moment niet leverbaar. Volgende maand verschijnt een nieuwe editie bij uitgeverij De Bezige Bij.