Wraakzucht leidt tot een Pyrrhus-overwinning

Poolshoogte; actuele fotografie uit Nederland, België en Duitsland. T/m 1 september in Nederlands Foto Instituut, Witte de Withstraat 63, Rotterdam. Di t/m zo 11-17. Toegang ƒ 2,50. Catalogus: ƒ 4,95

Het is verleidelijk om Poolshoogte, de zomertentoonstelling in het Nederlands Foto Instituut in Rotterdam, in het licht te zien van het recente vertrek van directeur Adriaan Monshouwer. Zijn opstappen tenslotte had alles te maken met wat hij achteraf in een interview aanduidde als zijn vermeende onvermogen aandacht te besteden aan actuele, vernieuwende ontwikkelingen in de fotografie.

En juist dat is het terrein dat Poolshoogte zegt te bestrijken. Alsof Monshouwer, onder wiens verantwoordelijkheid de tentoonstelling nog tot stand kwam, met vooruitziende blik zijn kritikasters alsnog in het ongelijk wilde stellen. Dat dergelijke wraakzucht een rol gespeeld heeft, valt te betwijfelen maar wie het verband wel legt, kan niet anders dan concluderen dat Poolshoogte een Pyrrhus-overwinning is. Want wat de tentoonstelling, op uitnodiging van het NFI samengesteld door gastcuratoren Adriaan van der Have (galerie Torch, Amsterdam), Marc Steculorum (galerie DB-S, Antwerpen) en Thomas Seelig (freelance tentoonstellingsmaker, Keulen) te bieden heeft, is visueel oppervlakkig en qua stijl en idioom tamelijk gedateerd.

Tekenend voor de onmiskenbare geur van gemakzucht die er over de tentoonstelling hangt is de selectie van Van der Have, die simpelweg koos voor drie fotografen uit zijn stal: Yuk Lin Tang, Cor Dera en Henk Tas. Tang, zesentwintig en net afgestudeerd aan de Rietveld academie, kan inderdaad nog representant van de jonge generatie genoemd worden. Maar Dera en Tas?

In de als catologus fungerende aflevering van het NFI-tijdschrift Fotonet geeft Van der Have ruiterlijk toe zijn opdracht met een fikse korrel zout genomen te hebben. Het NFI exposeert te eenzijdig klassieke fotografie meent hij, en hij wilde nu wel eens laten zien 'wat ze hier normaal gesproken niet te zien krijgen'.

Veel hebben 'ze' (het publiek, de NFI-medewerkers?) afgaande op het gebodene echter niet gemist. Van Tang is behalve een foto van een jonge vrouw met een getatoeëerde schaamstreek (ovaal passepartout en goudgetinte lijst: voor boven het dressoir, maar niet heus) een serietje van vijf gemakzuchtige foto's te zien van een Chinees huwelijk in haar geboorteplaats Hong Kong. 'Where Life Begins' luidt de titel van dat geheel, maar meer dan suggestie levert dat niet op.

Dera, 'een soort Jeff Koons' volgens zijn galeriehouder, biedt zoals gewoonlijk een handvol uit tijdschriften en boeken gepikte natuurfoto's (rupsen, dolfijnen, walvissen ditmaal) die 'herschikt' zijn - ze hangen naast en boven elkaar.

Met zijn kleurrijke speelgoed toneeltjes vol autootjes, lieveheersbeestjes en Elvis Presley-poppetjes, steekt Henk Tas weliswaar met kop en schouders uit boven het werk van zijn stalgenoten, het is en blijft het knip en plakwerk zoals dat tien jaar geleden opgeld deed in de Rotterdamse geënsceneerde fotografie. Het is wat geacheveerder geworden en de lijsten zijn wat zwaarder, maar actueel kun je het toch allesbehalve noemen.

Ook van de buitenlandse bijdragen hoeft Poolshoogte het niet te hebben. Veelvuldig wordt er gebruik gemaakt van het onder fotokunstenaars geliefde pseudo-effect; foto's die hun uiterste best doen om niet bijzonder te zijn. Er hangen privé-kiekjes van de Belg Jean-Paul Brohez, en van de Duitse Anneruth Dannert negen willekeurige snapshots van op straat wandelende mensen. (Let op de rasterpunt: is het niet net alsof ze uit de krant komen? Zouden het boeven zijn of filmsterren?)

Luid klinken nog altijd de echo's van de overbekende (zij het in Nederland weinig nagevolgde) Duitse Bernd en Hilla Becher-school met haar systematiek en herhaling, getuige Valérie Katz' portretten van zo onbestemd mogelijk voor zich uitblikkende vrouwen en de fletse foto'<aigu>s van geïmproviseerd straatmeubilair in Freiburg gemaakt door het (Australische) duo Janet Burchill en Jennifer McCamley. Technisch is er weinig op aan te merken maar het is allemaal te bedacht en te weinig persoonlijk om de aandacht lang vast te houden.

Dat Poolshoogte op een mislukking is uitgedraaid valt het NFI gezien de gekozen werkwijze niet echt aan te rekenen, maar de vraag waarmee je wel blijft zitten is hoe serieus het instituut haar eigen tentoonstelling neemt. Op de begeleidende tekstpanelen wordt vol aplomb melding gemaakt van 'het sterke bewustzijn van de noodzaak om te ontsnappen uit de middelmaat van de dagelijkse stroom fotografische beelden' dat de deelnemende fotografen zou onderscheiden. Zou het ze nu echt ontgaan zijn dat er daar in het resultaat bitter weinig van valt te bespeuren?