Vonken van de gelovige wetenschapper

Ooit voerden gelovigen en atheïsten heftige debatten over het bestaan van God. Tegenwoordig gaat de discussie over het mogelijke samengaan van religie en wetenschap.

Science & Education. Contributions from History, Philosophy and Sociology of Science and Mathematics, jaargang 5 (1996) nummer 2. Editor: Micheal R. Matthews, uitgegeven door Kluwer (Dordrecht). Prijs per jaargang ƒ 368,00 (persoonlijk abonnement ƒ 179,00).

De nieuwste aflevering van het blad Science & Education maakt eens te meer duidelijk dat God, in alle gangbare betekenissen van het woord, morsdood is, maar dat we nooit genoeg zullen krijgen van het gesol met zijn lijk. Gelovigen en atheïsten zijn al lange tijd met elkaar in debat over het bestaan van God. De bewijslast lag bij de gelovigen terwijl de atheïsten elke door de gelovigen aangevoerde reden trefzeker omverkegelden. Maar altijd kon de gelovige repliceren: misschien kunnen wij het bestaan van God niet bewijzen, en zelfs niet aannemelijk maken op de manier zoals de atheïsten dat verlangen, maar zij kunnen evenmin bewijzen dat God niet bestaat. En zo transformeerden de gelovigen een dreigend schaakmat in een patstelling.

De huidige debatten hebben een totaal ander karakter. Men probeert gezamenlijk een these te formuleren waarin geloof en wetenschap samengaan. Er lijkt zowaar eenstemmigheid te beluisteren ten gunste van deze Verenigbaarheidsthese: geloof is persoonlijk en normatief, en gaat bovendien over iets totaal anders dan de onpersoonlijke, waardenvrije wetenschap. Zo is ook de bewijslast verschoven naar de atheïsten, want de gelovigen wijzen op het fenomeen van de gelovige wetenschapper, de vleesgeworden representant van de nieuwe these.

De Canadese atheïsten Martin Mahner en Mario Bunge, die in Science & Education het spits afbijten, gaan de Verenigbaarheidsthese met frisse moed te lijf. Hun redenering gaat als volgt. Enerzijds is er de natuurlijke wereld van materie, straling en bewustzijn waarmee we allemaal vertrouwd zijn. De wetenschap, waaronder ook de sociologie en de psychologie vallen, onderzoekt deze natuurlijke wereld. Volgens de atheïst omvat de natuurlijke wereld alles wat er is. Voor de gelovige echter niet. Die postuleert daarboven het bestaan van een transcendentale wereld, een andere 'laag van de werkelijkheid' waar God zich wellicht ophoudt, waar de gelovige zich tot richt in het gebed en waar de ziel na de dood heen reist. Volgens Mahner en Bunge móet de gelovige een of ander verband veronderstellen tussen de natuurlijke en de transcendentale wereld. Is dat verband er niet, dan is het net alsof de transcendentale wereld niet bestaat en kan de gelovige net zo goed atheïst zijn. De mogelijkheid dat bijvoorbeeld een gebed wordt overhoord is dan bij voorbaat uitgesloten. Bidden wordt daarmee zinloos. Door zo'n verband te veronderstellen legt de gelovige een cognitieve claim die mede de natuurlijke wereld betreft en die hem volgens Mahner en Bunge in conflict kan brengen met de wetenschap.

Mickey Mouse

Voor zover onze kennis van de natuurlijke wereld reikt, redeneren Mahner en Bunge, is er geen spoor te bekennen van bovenzintuiglijke inmenging. Geen enkele natuurwetenschappelijke theorie bevat termen met een transcendente referentie. Dus rekenen Mahner en Bunge de transcendentale wereld en haar inwoners tot dezelfde epistemologische categorie als Duckstad en haar inwoners, namelijk tot de fictie. Evenals Mickey Mouse is God een verzinsel die waarneembare causale ketens in de natuurlijke wereld teweegbrengt, die een rol speelt in de levens van mensen, waar afbeeldingen van bestaan, in het licht waarvan bepaalde plaatsen op aarde bijzonder zijn (Vaticaanstad, Mekka, Jeruzalem, Disneyland). Maar feitelijk bestaan doen ze niet.

De visie van Mahner en Bunge op het onderwijs in religie en wetenschap laat zich raden: doctrinair religie-onderwijs is een soort van kindermishandeling en liberaler ingesteld religie-onderwijs verschilt daarvan slechts gradueel, niet essentieel. In religie-onderwijs dient de leerling te geloven in op zijn minst sommige beweringen zonder dat de lerares hem enige evidentie aanbiedt. De leerling dient deze beweringen te aanvaarden op gezag van een transcendente autoriteit die elk voorstellingsvermogen tart. Daarom belemmert religie-onderwijs het verwerven van een wetenschappelijke mentaliteit, want wetenschapsonderwijs staat hier lijnrecht tegenover. Religie moet wel behandeld worden op school, vinden Mahner en Bunge, maar zoals ieder ander menselijk verschijnsel in historische, sociologische en psychologische termen.

Na het artikel van Mahner en Bunge volgt een zesvoudige repliek, waarna Mahner en Bunge in de gelegenheid zijn gesteld hun critici te antwoorden. De redacteur Matthews heeft daartoe de juiste zes mannen uitgenodigd (vrouwen doen niet mee). De vlammen van het religieuze vuur likten mijn gezicht bij het lezen. De zes critici verschansen zich allerminst; enkelen zetten de tegenaanval in vanuit een onverwachte rijkdom aan stellingen. Steekhoudende argumenten en dubieuze opmerkingen wisselen elkaar in rap tempo af.

De Brit Michael Poole wijst er nuchter op dat de vergelijking tussen God en Walt Disney mank gaat omdat God wonderen kan verrichten en Walt Disney niet. Zo is dat. De andere Britse criticus, Brian Woolnough uit Oxford, ziet een overeenkomst tussen de God/mens-dualiteit van Jezus uit de theologie en de golf/deeltje-dualiteit van het elektron uit de quantummechanica.

Veel critici betichten Mahner en Bunge van een selectieve blik op de geschiedenis tussen geloof en wetenschap: het is niet altijd conflict wat de klok slaat. Zo heeft de Anglicaanse kerk de wetenschapsbeoefening door de eeuwen heen juist aangemoedigd. Brian Woolnough volgt een verwante strategie: het Griekse en Romeinse heidendom hebben de ontwikkeling van de wetenschap belemmerd, evenals de Chinese religie. Daarom is het nooit wat geworden met de wetenschap in het Oosten. Maar het christendom, dat is andere koek. De Nieuw-Zeelander Harold Turner gaat zelfs zover dat hij het 'Judeo-christelijke wereldbeeld' de 'redder van de wetenschap' noemt.

Bespottelijk

Naast deze losse flodders schieten de critici ook met scherp. Is het fenomeen van de gelovige wetenschapper geen onweerlegbaar bewijs voor de Verenigbaarheidsthese? Mahner en Bunge menen van niet. Volgens hen zegt dit fenomeen even weinig over de strijdigheid tussen geloof en wetenschap als het fenomeen van een atleet die tabaksreclame maakt iets zegt over de strijdigheid tussen roken en sport. Het verschil lijkt mij echter dat de atleet niet zal ontkennen dat roken schadelijk is voor de gezondheid, maar slechts reclame moet maken voor zijn sponsor, terwijl de gelovige wetenschapper zoiets allerminst zal onderkennen. Harold Turner vindt het 'beledigend en bespottelijk' om alle gelovige wetenschappers voor schizofreen te verklaren, waar de vergelijking van Mahner en Bunge eigenlijk op neerkomt. Hiermee is de Verenigbaarheidsthese gered in de hoedanigheid van een psychologisch feit: sommigen ervaren geloof en wetenschap niet als onverenigbaar.

Voor een buitenstaander in het debat over de Verenigbaarheidsthese en haar gevolgen voor het onderwijs zijn na lezing van Science & Education twee dingen zonneklaar. Het eerste is dat de deelnemers zo overtuigd zijn van hun eigen gelijk dat aan de noodzakelijke voorwaarde voor een vruchtbaar debat voor de deelnemers, namelijk dat zij de bereidheid tonen hun standpunten ter discussie te stellen, niet is voldaan. Voor een debat waar de vonken vanaf spatten is echter niets beter dan deelnemers die overtuigd zijn van hun gelijk. De toeschouwer hoeft zich geen seconde te vervelen.