Transcriptiefactor Oct-6 zorgt voor de myeline rond zenuwcellen

Schwanncellen zijn de enige niet-zenuwcellen die tussen bundels perifere zenuwuitlopers groeien. Ze ondersteunen de axonen en maken ook myeline, de isolerende eiwitomhulling rond zenuwen. Niet alle Schwanncellen maken echter myeline.

Er zijn twee typen, afhankelijk van de dikte van de zenuwbaan waarin ze liggen, en al lang was de vraag hoe die uit één type voorlopercel ontstaan. De transcriptiefactor Oct-6 was kandidaat als veranderende factor. Transcriptiefactoren binden op een bepaalde plaats op het DNA en beïnvloeden daardoor de aflezing van een of enkele in de buurt gelegen genen. Acht onderzoekers van de vakgroep celbiologie en genetica van de Erasmusuniversiteit in Rotterdam hebben nu aangetoond dat Oct-6 een beslissende transcriptiefactor is, maar ook dat een hypothese over Oct-6 bijstelling behoeft (Science, 26 juli).

De transcriptiefactor Oct-6 wordt bij muizenembryo's actief op de 16e dag na de conceptie. Kort na de geboorte vermindert de productie en in Schwanncellen van volwassen muizen komt Oct-6 nog maar sporadisch voor. In de reageerbuis onderdrukt Oct-6 expressie van myelineproducerende genen in de Schwanncellen. Gepostuleerd was dat Oct-6 niet alleen de differentiatie naar myelinevormende cellen regelt, maar ook invloed heeft op het aantal Schwanncellen dat in zenuwbanen groeit.

Muizen die geen Oct-6 maken zouden volgens deze hypothese minder Schwancellen moeten krijgen die heel vroeg differentiëren tot myelinevormende cellen. Dat viel te onderzoeken met behulp van knock out muizen waarin de bindingsplaats van Oct-6 aan DNA is verwijderd. De onderzoekers van de Erasmusuniversiteit maakten die muis. Dieren die op beide chromosomen de Oct-6-bindingsplaats misten (de -/- muizen) stierven meestal kort na de geboorte. Dieren die op één chromosoom de bindingsplaats misten (+/- muizen) leefden normaal.

De Rotterdamse onderzoekers halen de bestaande hypothese onderuit. De -/- embryo's produceerden bijzonder weinig myeline-eiwitten. Maar dieren die tot dag 18 overleefden maakten normale hoeveelheid van een van de vier myeline-eiwitten. De conclusie is dat Oct-6 verschillende functies heeft in vroege en in late Schwanncel-ontwikkeling. Oct-6 speelt een nog nader te bepalen rol bij de overgang van voorlopercel naar myelinevormende cel, maar als de cellen eenmaal een bepaald stadium zijn gepasseerd is Oct-6 niet langer nodig.