Strawinsky hoeft niet altijd vlot en droog te klinken

Met vijftig voorstellingen van negen opera's bieden de Salzburger Festspiele in bijna anderhalve maand nauwelijks minder dan veel operatheaters in een heel seizoen. Dan zijn er, naast zeven theaterprodukties en tal van andere activiteiten en tentoonstellingen, nog zeventig concerten.

Twee operavoorstellingen waren al in Amsterdam te zien: Moses und Aron van Schönberg door de Nederlandse Opera en het Concertgebouworkest, en - tijdens het Holland Festival in de semi-concertante versie van Gardiner - Beethovens Leonore , met Geert Smits als Fernando. Fidelio, waarvan Leonore de oerversie is, gaat hier ook, in de regie van Herbert Wernicke, met Sir Georg Solti als dirigent van de Wiener.

De bariton Geert Smits zingt ook kleine rollen in Moses und Aron en in een hoogstbijzondere voorstelling van Oberon van Carl Maria von Weber. Het romantische werk uit Webers sterfjaar 1826 wordt hier gebracht in een nieuwe versie met gesproken teksten van Martin Mosebach, die worden vertolkt door twee beroemde toneelspelers: Martin Benrath in de titelrol en Edith Clever als Titania.

De door Klaus Metzger geregisseerde voorstelling is zoiets als antiek multi-mediatheater met een verscheidenheid aan middelen. De zangers zitten achter het orkest op het proscenium, de uitbeelding van de handeling is verdeeld tussen de acteurs op een conventioneel coulissenpodium en het beroemde marionettentheater uit Salzburg. Oberon en Titania hebben beide een buitenechtelijke affaire gehad en pogen het nu met elkaar weer goed te maken door hun minaars aan elkaar te koppelen en vervolgens de standvastigheid van hun liefde te testen tijdens een reeks beproevingen.

Helaas zijn veel van de details van het altijd aansprekende geraffineerde poppenspel vanuit de diepe zaal van het Kleines Festspielhaus nauwelijks te zien. Maar wat wel overkomt is de gedachte van het spel in allerlei soorten en lagen. Men kan de voorstelling zelfs 'Pinteriaans' bekijken: de handeling bestaat dan niet eens als theaterwerkelijkheid, maar Oberon en Titania spelen een denkbeeldig spel met elkaar om op provocerende wijze de kracht van hun onderlinge liefde te onderzoeken.

De uitvoering is meestal heel erg prachtig - alleen al de languissant-geëxalteerde manier waarop Edith Clever een zin zegt als Ach, diese Sehnsucht, zwei zu sein und sich zu lieben!' Robert Gambill, Kirsten Dolberg, Jane Eaglen, Dagmar Peckova en Geert Smits zingen uitstekend, alleen van de al te platte kopstem van de tenor Chris Merritt ben ik geen liefhebber.

Sylvain Cambreling, ten tijde van Mortier de dirigent in Brussel en nu de muziekchef van de Frankfurter opera, leidt het Philharmonia Orchestra met warme liefde en behoedzaamheid door deze zelden gespeelde muziek. Dezelfde gepassioneerde gevoeligheid en een hang naar vervoerend intense langzame tempi legt hij ook aan de dag bij de herhaling van de twee jaar geleden al gespeelde voorstelling van The Rake's Progress, Strawinsky's versie van het Faust-thema.

Zo'n aanpak is geheel in strijd met de gebruikelijke opvatting dat Strawinsky 'vlot en droog' moet klinken, maar die zorgt hier wel voor een ontroerend complement van de uitbundige decors en kostuums die de schilder Jörg Immendorf maakte: een cavalcade van citaten, stijlen en verwijzingen naar allerlei stromingen in de beeldende kunst. Het behang heeft een Keith Haring-achtig patroon van penissen en vulva's, vader Trulove is een replica van Joseph Beuys en in de titelrol herkennen we Immendorf zelf, de Duitse neef van onze Jan Cremer.

Net als Cambreling houdt regisseur Peter Mussbach zich rustig, te rustig soms. Iets meer opulente groteskheid mag best bij scenes zoals Rakewells huwelijk met de vrouw met de baard of zijn uitvinding van de machine die brood bakt van stenen. Maar de ware dramatiek wint het zo wel van het pure vermaak, zeker met voortreffelijke zangers als Jerry Hadley als Rakewell en Dawn Upshaw als de trouwe Anne Trulove.