Rijk worden van allochtonen

Steeds meer instanties houden zich met behulp van overheidsgeld bezig met het wel en wee van allochtonen. De regering ziet burgers van allochtone afkomst als een probleemgroep, die ruimhartige ondersteuning verdient. Twee van dergelijke instanties maakte ik van dichtbij mee, omdat ze beide enige tijd geleden een bijeenkomst hadden belegd.

De ene vond plaats in het luxueuze Amsterdamse World Trade Center (WTC), de andere in het pretentieloze Utrechtse café Zeezicht. De ene handelde officieel, de andere officieus over een spraakmakend onderwerp in deze kringen: 'intercultureel management'.

In het WTC had de door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Cultuur (VWC) gefinancierde conferentie 'Zo kan het ook: Intercultureel Management' plaats. Het organiserende bureau B & A hoort tot een van de snel in aantal groeiende particuliere instellingen, die zich op de allochtonenmarkt hebben gestort. De sfeer liet zich omschrijven als verwachtingsvol en constructief. Meer dan honderd goedopgeleide allochtonen en autochtonen wilden kennelijk dolgraag weten wat men met 'intercultureel management' zoal voor elkaar kan krijgen.

Heel veel, zo lieten vooral de Amerikaanse inleiders weten. Volgens de begeleidende map betekent intercultureel management “het bedrijfsmatig en positief gebruikmaken van culturele verschillen tussen werknemers, om de kracht van de eigen organisatie te vergroten”. Over 20 jaar, zo rekende men ons voor, zijn in Nederland een kwart van de consumenten en een-zevende van de sollicitanten allochtoon. Dit betekent dat ondernemers puur uit eigenbelang steeds meer allochtonen in dienst zullen nemen. Ontbreekt onverhoeds deze vooruitziende blik, dan is er de overheid om dit succesvol af te dwingen via het zogeheten 'quota-systeem'. Het verplicht elke instelling een minimaal aantal allochtonen in dienst te nemen. Gaande de dag werd duidelijk dat de optimistische geluiden de nodige nuancering behoefden.

In Amerika houden voornamelijk de overheid zelf en de economisch van haar afhankelijke bedrijven zich aan het quota-systeem. Hetzelfde geldt in feite voor Nederland: sinds de afkondiging van de Wet Bevordering Evenredige Arbeidskansen Allochtonen (WBEAA) heeft alleen de overheid de vijf-procentsnorm gehaald. Het bedrijfsleven liet het massaal afweten.

Dit gegeven weerspiegelde zich in de deelnemerslijst. Deze bestond hoofdzakelijk uit ambtelijke arbeidsbemiddelaars en vertegenwoordigers van allochtonen-instellingen. Diegenen die toch een van de spaarzaam aanwezige bedrijven vertegenwoordigden, bleken soms om andere redenen aanwezig dan de deelnemerslijst suggereerde. Zo veranderde een officiële vertegenwoordiger van Rabobank Nederland na afgifte van zijn visitekaartje in een manager van het werkgelegenheidsproject 'Samen Werken'. Deze, door het bedrijfsleven geïnitieerde en door de overheid gesubsidieerde, organisatie beoogt via ongesalarieerde werkervaringsplaatsen allochtonen aan een baan te helpen.

Behalve het ongeïnteresseerde bedrijfsleven blijkt intercultureel management nog om een andere reden problematisch: het activeert, in het beste geval onbedoeld, een nieuwe vorm van discriminatie. Zo functioneren, aldus de begeleidende map, Surinamers “naar grote tevredenheid” in verzorgende beroepen, terwijl Turken in de schoonmaakbranche en industrie “zeer worden gewaardeerd”.

In het bijbehorende boekje van Hans Kaldenbach, Cultuurverschillen op de Werkplek: 111 ervaringen met intercultureel management, vertelt een werkgever dat hij “voor het fijne werk” Chinezen en Vietnamezen prefereert. Vanwege hun “dunnere vingers en kortere armen”, zo is de suggesie. Hij kent een verffabrikant met een voorkeur voor Creoolse kleurenspecialisten: “Hun kleurwaarneming - zegt hij - is beter dan die van blanken”.

De in Utrecht opererende Turkse organisatie Türel liet, indirect, een geheel andere kant van intercultureel management zien. De door haar belegde bijeenkomst had plaats naar aanleiding van de commotie rondom de uitspraken van criminoloog en antropoloog Frank Bovenkerk. Het publiek, eveneens zo'n honderd in getal, bestond wederom uit hoogopgeleide allochtonen en autochtonen. De sfeer was aanvankelijk sceptisch en negatief. Volgens de allochtone organisaties in de pers moest de onderzoeker op het matje komen, omdat hij een “ongewenste maatschappelijke discussie over de betrokkenheid van allochtonen bij de georganiseerde criminaliteit” teweeg had gebracht.

Maar de bijeenkomst kreeg gaandeweg een ander karakter. De belangrijkste oorzaak vormde de voorzitster, die van meet af aan elke vraag over 'percentages' de kop indrukte. De gewraakte zinsnede van Bovenkerk, dat “enkele tientallen procenten van de Turkse mannen in Amsterdam in enigerlei functie bij de georganiseerde misdaad betrokken zijn”, kreeg hierdoor geen kans tot een discussiepunt uit te groeien. Dit maakte de mentale ruimte vrij voor het stellen van veel zinniger vragen zoals: Neemt de drugshandel in onze gemeenschap daadwerkelijk toe? En indien dit zo is, hebben we hier dan tot nu toe adequaat op gereageerd? Vooral Bovenkerk zag na afloop van de bijeenkomst zijn jarenlange, waarneembaar zorgvuldig opgebouwde, goodwill in de Turkse gemeenschap, meer dan bevestigd.

Worden dan alleen de instanties die zich ermee bezighouden rijker van allochtonen? Of gaat het bedrijfsleven, vanwege de verwachte commerciële meerwaarde, toch op grote schaal allochtonen aannemen in plaats van autochtonen? Met andere woorden: vloeit het geld ook naar diegenen waarvoor het uiteindelijk is bedoeld? Kunnen we dan binnenkort advertenties verwachten waarin een schildersbedrijf voor haar plinten pygmeeën vraagt en voor haar plafonds masai? Gaat de vleesverwerkende industrie vooral eskimo's verzoeken te reageren op haar vacatures voor de koel- en vrieshuizen?

De successtory op het gebied van intercultureel management blijft voorlopig voorbehouden aan initiatieven zoals die van Türel en Bovenkerk. In voorbeeldige harmonie wisten zij een maatschappelijk ongewenste in een gewenste discussie over allochtonen om te zetten. Daar kan het organisatiebureau B & A een punt aanzuigen.