Onderzoekers verontrust; Leerlingen Mavo krijgen lagere cijfers

GRONINGEN, 1 AUG. Leraren op scholengemeenschappen geven Mavo-scholieren in de eerste drie klassen consequent lagere rapportcijfers dan Havo-leerlingen en VWO'ers.

Tot deze conclusie komen twee onderzoekers van het Gronings Instituut voor Onderzoek van Onderwijs (GION) in een rapport over de loopbaan van leerlingen in de eerste drie klassen van het voortgezet onderwijs. De uitkomst verontrust de onderzoekers, schrijven ze, omdat die in tegenspraak is met het uitgangspunt 'elk schooltype hanteert zijn eigen norm'. Waarom Mavisten systematisch lagere cijfers krijgen hebben de onderzoekers nog niet kunnen achterhalen.

Een van de onderzoekers, sociaal-psycholoog en methodoloog H. Kuyper, vermoedt dat Mavisten lagere rapportcijfers krijgen doordat op scholengemeenschappen in de eerste drie leerjaren “typische Mavo-docenten, Havo-docenten of VWO-docenten” ontbreken. Leraren geven les aan leerlingen van alle niveaus waardoor zij “geneigd zijn de Havo-leerling als norm te verheffen en de Mavisten overvragen”, aldus Kuyper. “Leraren lijken er niet voldoende op voorbereid dat op de Mavo een andere standaard geldt.”

In hoeverre ook scholieren op zelfstandige Mavo-scholen lagere rapportcijfers krijgen, weet Kuyper niet. Evenmin weet hij antwoord op de vraag in hoeverre verschillen in schoolcultuur hierop van invloed zijn. Het onderzoek bleef beperkt tot vier scholen. Drie jaar lang werden ruim 900 leerlingen gevolgd die in september 1991 als brugklasser instroomden in vier scholengemeenschappen voor Mavo, Havo en VWO in Utrecht, Drenthe, Zuid-Limburg en de Randstad.

Het GION-onderzoek richtte zich in eerste instantie op de motivatie van scholieren. In de loop van de drie jaar vinden scholieren de school steeds minder leuk, constateren de onderzoekers. De lol raakt er al na een paar weken af en die teneur zet door. De zin om tijd en energie in school te stoppen daalt aanzienlijk naarmate de tijd verstrijkt, evenals de waardering voor school. Ook de waardering voor de afzonderlijke vakken neemt af. Juist de vakken die in het begin van de brugklas het meest werden gewaardeerd, blijken later het minst populair.

De waardering van school hangt niet samen met de moeite die een leerling heeft met het gegeven onderwijs. Anders ligt dat bij de afzonderlijke vakken: leerlingen waarderen vakken meer als ze er een hoger cijfer voor hebben. Wel blijkt dat leerlingen die de school leuker vinden net iets beter presteren.

Naarmate het enthousiasme vermindert en het schooljaar vordert, kelderen ook de prestaties van leerlingen. De grootste dip ligt tussen Kerstmis en Pasen.