In Liefde Bloeyende

J. Slauerhoff (1898-1936)

IN MEMORIAM MIJZELF

Door vijanden omringd

Door vrienden in de nood

Geschuwd als aas dat stinkt

Houd ik mij lachend groot

Al is mijn ziel verminkt

Mijn lijf voor driekwart dood.

In 't leven was geen dag

Ooit zonder tegenspoed.

Ik leed kwaad en deed goed;

Dat is een hard gelag.

Nu, in verloren slag

Strijd ik met starre moed.

Bedekt met sneeuw en ijs

Getooid door menig lijk

Van wie de dwaze reis

Deed naar mijn innerlijk

Eens vroeg licht als Parijs

Nu 't poolgebied gelijk.

Ik laat geen gaven na

Verniel wat ik volbracht;

Ik vraag om geen gena

Vloek voor- en nageslacht;

Zij liggen waar ik sta

Lachend de dood verwacht.

Ik deins niet voor de grens

Nam afscheid van geen mens

Toch heb ik nog een wens

Dat men mij na zal geven:

'Het goede deed hij slecht

Beleed het kwaad oprecht

Hij stierf in het gevecht

Hij leidde recht en slecht

Een onverdraagzaam leven.'

Eigenaardig is dat, Slauerhoff is nog altijd een populair dichter, hij geldt voor sommigen zelfs als het prototype van de dichter, en toch worden gedichten als deze zó niet meer geschreven. Zo direct en getuigend, zo zelfvergrotend

Ik lééd kwaad en dééd goed

Multatuli en Jezus tegelijk. Geen ironie hier, geen relativering, geen spot. Hier schetst iemand, op de grens van de dood, een zelfportret: hoe hij wenst te sterven en hoe hij heeft gewenst te leven. Zulke gedichten - met de dichter in de heldenrol - schrijven ze tegenwoordig dan wel niet meer, maar dat wil niet zeggen dat het publiek ongevoelig is geworden voor heldenrollen. Het moet er nu alleen voor naar de film of het sportterrein.

De eenling tegen de buitenwereld, de man van stavast tegenover de boze krachten, het is een eeuwigdurend, onverslaanbaar filmthema en het wordt hier door Slauerhoff, misschien voor het laatst in de poëzie, nog eens met alle dramatische pathetiek uitgebuit. Vergis u niet, dit gedicht is geen getuigenis of eerlijk zelfportret, hier spreekt niet iemand met een grote waarheidsdrang. Dit is poëzie. Hier gaat het om een archetype en om de verborgen verleiding. Hier stileert iemand zichzelf tot held. Hier neemt iemand de rol van superheld op zich. Hij is, zoals in elke spannende avonturenfilm, van Wild West tot Schwarzenegger, op het laatst moederziel alleen

Door vijanden omringd

Door vrienden in de nood

Geschuwd als aas dat stinkt

hij is de eenzame wolf, de laatste rechtvaardige. Dat die rol door de dichter letterlijk wordt genomen lezen we af aan de absoluutheid van de formuleringen

In 't leven was geen dag

Ooit zonder tegenspoed

Geen dag? Niet eentje? In een heel leven? Vanzelfsprekend niet. Dat zou de wereld acceptabeler maken en de held dus iets minder heldhaftig. Het manicheïsme kent geen grijstinten tussen goed en kwaad. En op het manicheïsme berust de aantrekkingskracht die de klassieke held op het publiek uitoefent. Komt dat zien! roept Slauerhoff ons toe. Hier gaat de laatste dichtende held van de wereld ten onder!

Maar niet dan nadat hij het publiek eerst heeft ingepeperd dat hij niet om hun belangstelling verlegen zit, laat staan om hun mededogen. Die kille hooghartigheid, die onkenbaarheid

Bedekt met sneeuw en ijs

Getooid door menig lijk

Van wie de dwaze reis

Deed naar mijn innerlijk

het hoort bij de heroïek van de correcte rebel. De ideale held is onveranderlijk onbegrepen.

En hij triomfeert aan het eind. Dat er in de plechtige slotverklaring ineens staat

Het goede deed hij slecht

Beleed het kwaad oprecht

wil niet zeggen dat de held een schurk is geworden, integendeel. Het rijk van goed en kwaad is er, maar het is niet de maatschappij, het is de held zelf die de categorieën indeelt en de grenzen trekt.

Zo luidt het evangelie van de onaangepaste. De would be onaangepaste in ons allen - vandaar dat dit zo'n favoriet gedicht bleef.

Lezen we het wel goed? Daarover volgende week meer.