Honderd jaar zitten; De stoel als manifest

Meubelmakers maakten stoelen om op te zitten, ontwerpers bedachten veeleer 'concepten' om hun idealen uit te dragen. Een expositie in Londen toont een eeuw stoel- ontwerp.

100 masterpieces: Furniture that made the twentieth century, t/m 6 okt. in het Designmuseum, Shad Thames, Londen. ma t/m vr 11u30-18u, za en zo 12-18u. De catalogus kost ¢8 25,-

Er staan wel honderd stoelen, maar er kan niet gezeten worden. Soms is dat jammer. Wie zou niet graag even onderuit zakken in de Rocking Sofa no. 7500, rond 1880 ontworpen door August Thonet? En wie zou niet zwichten voor de uitnodigende ronde vormen van de Wink, met zijn Mickey-Mouse-oren, die honderd jaar later werd gemaakt door Toshiyuki Kita? Andere stoelen maken wel nieuwsgierig, maar hun zitbaarheid lijkt bij voorbaat tegen te vallen. How High The Moon (1986, Shiro Kuramata) bijvoorbeeld, heeft weliswaar de vorm van een ouderwetse fauteuil, maar is gemaakt van een prachtig metalen netwerk dat zo te zien iedere flexibiliteit ontbeert. En de Garden Chair (1954) van Willy Guhl kan dank zij een enigszins gebogen onderkant ongetwijfeld heerlijk schommelen, maar omdat deze stoel van beton gemaakt is, lijkt dat toch geen aangename bezigheid.

Het Designmuseum in Londen (te bereiken na een aangename wandeling vanaf metrohalte London Bridge, via The Queen's Walk langs de Theems) toont een deel van de stoelencollectie van de Zwitserse meubelfabrikant Vitra, die in het Zuid-Duitse Weil am Rhein een eigen museum heeft. De meeste stoelen - allemaal beroemde modellen van veelal bekende ontwerpers - zijn deze eeuw bedacht en de titel van de tentoonstelling luidt dan ook 'Furniture that made the twentieth century'.

Hoe meer de ambachtelijke meubelmaker in de twintigste eeuw plaatsmaakt voor de ontwerper met artistieke pretenties, hoe minder comfortabel stoelen vaak lijken te zijn. Voor meubelontwerpers, onder wie ook veel architecten en beeldend kunstenaars, is het een uitdaging om een stoel te maken die meer is dan zomaar een ding met poten en een rugleuning. Voor hen is een stoel een concept waarop ze hun idealen kunnen botvieren. In de overzichtelijke catalogus gaat het dan ook nergens over zitgemak. De stoelen zijn gerangschikt in hoofdstukken met titels als 'technologie', 'reductie', 'organisch ontwerp' en 'manifest'.

Toch hoeven ideaal en comfort elkaar niet uit te sluiten. De Sacco, een typisch jaren zestig ontwerp, is een eenvoudige katoenen zak gevuld met polystyreen, die met een paar stiksels tot stoel is omgevormd. Deze 'anatomische' stoel, zonder poten en zonder een vaste vorm, was volgens zijn bedenker een protest tegen de bourgeois-smaak. De Donna (eveneens uit de jaren zestig) symboliseert met zijn sensuele rode kleur en zijn wulpse, ronde vormen de vrouwelijkheid. Maar de stoel is vastgeketend aan een grote bal die dienst doet als voetenbankje. Ontwerper Gaetano Pesce wilde daarmee weergeven dat vrouwen gevangenen waren van hun maatschappelijke positie. Zowel de Sacco als de Donna zitten zo te zien heel prettig. Maar het ging bij deze twee stoelen niet in de eerste plaats om een vormideaal en 'mooi' zijn ze dan ook zeker niet.

Aan de meeste stoelen ligt wel een duidelijk geformuleerd schoonheidsideaal ten grondslag. Gerrit Rietveld verwerkte de principes van De Stijl in zijn beroemde Roodblauwe stoel en in de Zig-Zag, een van drie planken gemaakte Z met een rugleuning. Andere ontwerpers zochten vooral naar eenvoud. De Mies uit 1969, genoemd naar de laatste Bauhaus-directeur Ludwig Mies van der Rohe, is een simpel hellend vlak, bestaande uit een stalen raamwerk waarin latex gespannen is. De ontwerpers van het Italiaanse Archizoom Associati wilden met deze stoel de ideeën van het functionalisme - 'vorm volgt functie' - weerleggen: zolang niemand wegzakt in de latex, lijkt de Mies ongeschikt om in te zitten.

De Consumer's Rest, een met perspex bekleed, opengewerkt winkelkarretje, heeft ook wel iets van een manifest. Deze stoel is in produktie, maar je kunt je nauwelijks voorstellen dat die echt wordt gekocht om veel op te zitten. Dat geldt ook voor de Miss Blanche (genoemd naar de hoofdfiguur uit A Streetcar Named Desire van Tennessee Williams) van Shiro Kuramata, een van de mooiste stoelen op de tentoonstelling. Een sierlijke, ijle armstoel, gemaakt van glasheldere kunststof met ingelegde zijden roosjes.

Aan veel stoelen is niet gemakkelijk te zien wanneer ze zijn ontworpen. Vooral die uit de jaren twintig ogen vaak nog heel modern. Verschillende zijn nog steeds in produktie (vaak als een goedkope kloon van het origineel), zoals de Cesca uit 1928 van Marcel Breuer, een van de bekendste stoelen van de wereld. Breuer heeft de vier poten vervangen door een stalen buis. Het zitvlak zweeft aan de achterzijde en krijgt daardoor veerkracht - een principe dat veel navolging kreeg. Ook de Chaise longue à reglage continu (van Le Corbusier, Pierre Jeanneret en Charlotte Perriand) uit hetzelfde jaar, is nog steeds in designwinkels te koop. En dat zal wel niet helemaal toevallig zijn. Bij deze stoelen is het comfort uiteindelijk niet helemaal ondergeschikt gemaakt aan de vorm. En ze bewijzen daarmee dat wie mooi wil zitten, niet per se pijn hoeft te lijden.