Het is verplicht de heg te snoeien

Maasmechelen-Eisden (België): Museum Mijnwerkerswoning, Dopheidestraat 1, tel. VVV (vanuit Nederland) 0032-89766756, open op zaterdag en op zon- en feestdagen van 14 tot 18 uur of op afspraak te bezoeken.

Enige jaren geleden was ik in de mijnwerkerswijk van het Belgisch-Limburgse Eisden (zo'n dertig kilometer ten noorden van het Nederlandse Eijsden) een aantal malen op bezoek bij het echtpaar Janek en Gusta Ziolkowski. Janek was tot 1958 ondergronder in de Limburg-Maasmijn van Eisden geweest. Daar was hij ziek van geworden. Hij had stoflongen en een kapotte rug. Tijdens het praten rochelde hij herhaaldelijk diep en langdurig. Soms gebruikte hij een 'inhaler' om wat meer lucht te krijgen. Hij noemde dat apparaatje een 'pomp'. Als hij in de Cité, zoals de mijnwerkerswijk ook wel wordt genoemd, een wandeling maakte, vond hij op straat veel van die 'pompen', want bijna al zijn oud-collega's leden aan stoflongen.

We zaten in de keuken van zijn mijnwerkershuis; een tweekapper, die men hier een tweewoonst noemt. De huizen werden gebouwd in de jaren twintig en dertig van deze eeuw en samen vormden ze een wijk die werd ingericht naar het voorbeeld van de Engelse city gardens. De huizen waren eigendom van de mijn. De bewoners waren onderworpen aan een door de mijn uitgevaardigd huisreglement. Daarin stond dat een toezichthouder zonder 'voorafgaande verwittiging' op huisbezoek kon komen om te kijken of het huis naar behoren werd onderhouden en bewoond. Er stond ook in dat men in de voortuin bloemen behoorde te zetten. De tuinen dienden aan de straatkant te worden beplant met een meidoornhaag. In de achtertuin moesten groenten worden gekweekt. Eens in de maand werd bij het eerste huis van de straat door een mijnemplo-yee de heggenschaar afgeleverd, dan moest men de heggen knippen en de schaar doorgeven aan de buurman. Bleef men in gebreke, dan kwam er iemand van de mijn om het te doen en de kosten daarvan werden ingehouden op het loon.

Het waren eigenlijk wel knappe woningen met 9 are grond eromheen, met een 'goede kamer', een woonkeuken, een bijkeuken, een gemak buiten en boven drie slaapkamers, waarvan er een vaak was bestemd voor een kostganger, een ongetrouwde kompel. Omdat er voor de inrichting van het huis weinig geld was en men er toch netjes bij wilde zitten, werden de deuren zo geverfd dat het leek of ze van eikenhout waren, compleet met knoesten erin. De mantels van de schoorsteen werden met marmerverf geschilderd, in de slaapkamers schilderde men bedmatjes met franjes op de vloer. Aan de muren hingen bijna altijd doeken waarop herten in een bos stonden afgebeeld. Overal in de wereld zijn in mijnwerkerswoningen soortgelijke taferelen aan te treffen, misschien omdat het arcadische beeld een wensdroom is als men zo diep onder de grond aan het werk is. Verder hingen er schilderijtjes van heiligen, onder meer dat van de madonna met de vingerhoed. De matrassen waren met stro gevuld. Riolering was er niet, stromend water werd pas in de jaren veertig aangelegd. Elektriciteit daarentegen was er al vrij snel na het gereedkomen van de woningen.

Het was tijdens het bezoek aan Janek en Gusta guur weer geweest. De kachel brandde. Weliswaar lag de aardgasleiding tot aan de voordeur, maar het echtpaar was verknocht aan de kolen, die overigens niet meer uit de eigen mijnen kwamen. Die waren veel te duur geworden. Door het stoken met kolen rook het bij Gusta en Janek een beetje naar kolendamp, dus een beetje naar de mijn. Ze hadden volop verteld over vroeger. Janeks ouders waren Polen. Ze waren via Frankrijk en Wallonië naar Eisden gekomen om er in de mijn te werken.

Zo ging dat indertijd. Mijnwerkers zetten zich meestal in groepen in beweging om díe mijn te vinden waar de beloning het beste was. Op de kasten in de slaapkamer lagen dan ook altijd de koffers klaar om, mocht het nodig zijn, weer verder te trekken.

“We waren net zigeuners”, zei Janek. In de cités woonden vele nationaliteiten tezamen. Polen, Tsjechen, Russen, Oostenrijkers; later Italianen, Turken en Marokkanen. Nu nog wordt in de cité van Eisden elk jaar de Dag van de broederlijkheid gevierd, die wordt aangekondigd in veertien verschillende talen. Met de integratie van de verschillende nationaliteiten zou het uitstekend zijn gesteld. Jan Kohlbacher, eertijds onderwijzer aan de citéschool en nu een van de voormannen in de strijd om het behoud van de oude mijngebouwen: “Dit is de Verenigde Naties in het klein.”

Toen ik onlangs opnieuw in de cité was, moest ik weer aan Gusta en Janek en aan hun huis denken. Hoe de mijnwerkers vroeger woonden is te zien in twee voormalige mijnwerkerswoningen onder één kap die nu in de Eisdense cité zijn ingericht als museum annex documentatiecentrum en archief. Op aanvraag kan men er ook met groepen terecht. Dan kan men onder begeleiding per fiets of per bus de hele cité bezoeken, waar men schitterende mijngebouwen ziet die als paleizen zo groot zijn. Dan zijn er ook wat oud-mijnwerkers aanwezig aan wie men vragen kan stellen. Maar Janek zal men er niet meer aantreffen. Hij is gestorven ten gevolge van een hartaanval. Bij zijn huis werd het stoffelijk overschot op de dag van de begrafenis afgehaald door collega's. Ze hadden hun werkkleding aan, hun zweetdoekjes om de hals en ze hadden mijnhelmen op. Op zijn kist werd een brandende mijnlamp gezet.

In het museum leeft de geest van een man als Janek voort.