De wanhopige kringloop

De overeenkomst tussen de twee voorstellingen die hier zijn gereproduceerd intrigeert mij al jaren. De ene is een houtsnede die voorkomt in een anoniem middeleeuws reisverhaal, Die wunderbare Meerfahrt des heiligen Brandan, in 1476 gedrukt door de Augsburgse drukker Anton Sorg; de andere een litho van M.C. Escher uit 1944.

Op beide prenten is een aantal naakte menselijke figuren te zien die in een min of meer voorovergebogen houding in tegenovergestelde richtingen rondom een ronde of ovale opening in het grondvlak lopen.

Het woord 'lopen' past eigenlijk niet goed. De figuren in de incunabel lijken dansende of schaatsende bewegingen met hun benen te maken; de meesten strekken hun armen uit alsof zij op het punt staan in het water te duiken; één van hen lijkt daarvoor terug te deinzen. Bij Escher steunen de linksom lopende zwarte figuurtjes bij het lopen op hun linkerhand terwijl zij de wijsvinger van hun rechterhand opheffen; de rechtsom lopende witte mannetjes maken vreemde huppelpassen met opgeheven rechterbeen; de rechterarm is uitgestrekt als voor een handdruk; de linker hand met gespreide vingers lijkt een verzaligd of groetend gebaar te maken. De gelaatsuitdrukking van de figuurtjes in de houtsnede laat zich moeilijk interpreteren; Eschers zwarte mannetjes met hun neergetrokken mondhoeken zijn verbeten zwartkijkers, terwijl het gezicht van de witte een brede, misschien wat onnozele lach vertoont.

Wat betekenen deze voorstellingen? In het geval van Escher kunnen we beschikken over een toelichting van de kunstenaar zelf. De litho heet 'Ontmoeting'. Escher beschrijft haar als volgt: “Uit de grijze randen van een achterwand ontwikkelt zich een gecompliceerd patroon van witte en zwarte mensfiguurtjes. Aangezien mensen die willen leven op z'n minst een vloer nodig hebben om op te lopen, werd er een voor hen ontworpen, met een cirkelvormig gat in het midden opdat nog zoveel mogelijk van de achterwand zichtbaar blijft. Daardoor zijn zij tevens gedwongen om in een kring te lopen en elkaar op de voorgrond te ontmoeten: een witte optimist en een zwarte pessimist die elkaar de hand reiken.” De houtsnede in de incunabel illustreert een avontuur van de heilige Brandaan, die als straf voor zijn ongelovigheid met zijn monniken negen jaar over zee zwalkt. Op een dag landen zij op een eiland waar zij 'geesten in de gedaante van mensen' om een meer zien lopen. Het zijn zielen van gestorvenen die worden gekweld door hitte en dorst. Zij mogen niet drinken of verkoeling zoeken in het meer omdat zij tijdens hun leven geen medelijden met de armen hebben getoond. Op Brandaans voorspraak wordt hun door God toegestaan één slok te drinken en één maal het hoofd met water te besprenkelen.

Aan de twee voorstellingen liggen dus inhoudelijk geheel verschillende ideeën ten grondslag. Dat neemt niet weg dat Escher bepaalde formele elementen aan de Brandaan-illustratie ontleend zou kunnen hebben. Om dat aannemelijk te maken zou eerst aangetoond moeten worden dat hij de houtsnede gekend heeft, althans gekend kan hebben. Voor zover mij bekend is de illustratie uit de druk van Sorg in Nederland pas in 1949 voor het eerst gereproduceerd, en wel in de editie van een Middelnederlandse Brandaan-versie door Maartje Draak, met een vertaling door Bertus Aafjes. Als Escher zich vijf jaar eerder door de houtsnede uit de incunabel heeft laten inspireren, moet hij deze òf uit een van de zeer zeldzame, in Duitse bibliotheken berustende exemplaren hebben leren kennen (hetgeen in de oorlogsjaren echter hoogst onwaarschijnlijk moet heten), òf uit een publikatie waarin het werk van de anonieme middeleeuwse kunstenaar was gereproduceerd. Erg plausibel lijkt mij dit niet.

Berust de overeenkomst dan uitsluitend op toeval? Naar mijn mening moet de verklaring op een hoger niveau van abstractie worden gezocht. Het gemeenschappelijke element in beide voorstellingen is de conceptie van een kringloop. De straf voor de zielen in het middeleeuwse reisverhaal zal eeuwig duren; voor de Nederlander in het oorlogsjaar 1944 leken opwekkende en deprimerende berichten over de nadering van de bevrijding zich tot wanhopigwordens toe af te wisselen. Beide kunstenaars hebben dit uitgedrukt door de verbeelding van een ritueel dat geen begin en geen eind heeft, en dat zich daarom in een kring voltrekt.

Met dank aan Dr.A.Holtz, die mij op de overeenkomst tussen beide voorstellingen attent heeft gemaakt