Zonder kwekersrecht geen voedsel

De VS, Europa en Japan maken zich steeds sterker voor de bescherming van intellectueel eigendom in de wereldhandel, van CD's tot plantenrassen. Dat pakt nadelig uit voor boeren in de Derde Wereld, betoogden Robin Pistorius en Jeroen van Wijk onlangs.

Monique Krinkels deelt hun mening niet. Bij de bescherming van nieuwe plantenrassen moet niet alleen met de boeren, maar ook met de veredelaars rekening worden gehouden.

Er zijn grote verschillen tussen de bescherming waar uitvinders gebruik van maken en die waarop veredelaars van planten een beroep op kunnen doen. Waar illegaal geproduceerde CD's met een walsmachine worden vernietigd, mogen agrariërs het door henzelf vermeerderde zaad gewoon gebruiken. Zowel in rijke als in arme landen varen de boeren wel bij het kwekersrecht.

Robin Pistorius en Jeroen van Wijk concludeerden dat het kwekersrecht de boeren in de Derde Wereld nekt (NRC HANDELSBLAD, 17 juli). Niets is echter minder waar. Het kwekersrecht, het plantaardig equivalent van octrooirecht, houdt rekening met het belang van boeren en veredelaars voor de wereldvoedselvoorziening. Speciale regels, die sterk afwijken van de wetgeving die intellectueel eigendom op andere terreinen bescherming biedt, stimuleren het gebruik van verbeterde nieuwe rassen.

CD's, fotocamera's en andere technologische hoogstandjes kunnen door hun uitvinders worden beschermd via octrooirecht. Op wereldschaal zijn de regels daarvoor vastgelegd door WIPO, de World Intellectual Property Organisation. Voor planten gelden andere regels die door UPOV, de Union for the Protection of New Varieties of Plants worden bewaakt.

Zonder muziek mag het leven er stukken minder vrolijk uitzien, zonder voldoende voedsel is geen leven mogelijk. Dat is de belangrijkste reden om het ontwikkelen van nieuwe betere plantenrassen te stimuleren, door een aangepaste manier van beschermen.

Er is nog een tweede argument om nieuwe plantenrassen op een speciale manier te beschermen. Een CD, gekocht in Peking, laat van Sydney tot Trondheim precies dezelfde muziek horen. Een uienzaadje, veredeld voor Nederland, laat het in Noord-Frankrijk al afweten. Veredelaars ontwikkelen daarom planten die speciaal geschikt zijn voor een bepaald gebied. Dat zijn de belangrijkste argumenten om bij de bescherming van nieuwe plantenrassen niet alleen aan de boeren, maar ook aan de veredelaars te denken. Wereldwijd moeten boeren tegen een reële vergoeding toegang hebben tot verbeterde rassen. De bescherming die veredelaars nodig hebben is even simpel. Zij moeten de investeringen terugverdienen die nodig zijn voor het ontwikkelen van een nieuw ras. En die investeringen zijn hoog, vergelijkbaar met die in de farmaceutische industrie. Zaad van een plantenras speciaal ontwikkeld voor de tropen, zal daarom ongetwijfeld meer kosten dan wat een boer in een Derde-Wereldland gewend is uit te geven aan zaad. De grotere oogst compenseert echter die extra uitgave.

Veel boeren in de Derde Wereld maken nog steeds gebruik van zogenoemde landrassen. Dat zijn plantenrassen die in de loop van de geschiedenis door boeren in een bepaalde streek zijn ontwikkeld en die op geen enkele manier beschermd zijn. Het sterke punt van dat soort rassen is dat ze vaak goed zijn aangepast aan lokale omstandigheden - droogte of juist vochtigheid, temperatuur en manier van telen.

Het grote nadeel van de landrassen is dat de opbrengst vaak ver achterblijft bij modernere rassen en dat ze niet geschikt zijn voor de intensievere teeltmethoden die tegenwoordig nodig zijn. Om de sterk groeiende wereldbevolking te kunnen voeden zullen de boeren in ontwikkelingslanden over moeten stappen op hoogwaardig zaad dat een grotere oogst oplevert van een betere kwaliteit.

In tegenstelling tot wat Pistorius en Van Wijk beweren, mogen boeren in de meeste landen zaad produceren voor eigen gebruik. Het kwekersrecht laat dat aan de afzonderlijke landen over. Het gebeurt ook op grote schaal en niet alleen in ontwikkelingslanden. In Nederland bijvoorbeeld wordt 25 procent van het benodigde zaad door de boeren zelf voortgebracht. Tot voor kort was het in de VS zelfs toegestaan dat boeren overgehouden zaad verkochten. Omdat dit een serieuze bedreiging vormde voor de veredelaars, en dus voor hun motivatie om nieuwe rassen te ontwikkelen, heeft het kwekersrecht dit nu verboden.

Een andere onjuiste conclusie van Pistorius en Van Wijk is dat plantenveredelaars hun concurrenten in ontwikkelingslanden de pas afsnijden. Onder het kwekersrecht mag iedereen een nieuw ontwikkeld ras gebruiken voor verder kweekwerk. Het kwekersrecht is nota bene juist ontstaan om de veredeling te stimuleren. Dat wil zeggen dat een veredelaar in een ontwikkelingsland een nieuw ontwikkeld, hoogwaardig ras uit een Westers land mag kruisen met een lokale variant, om zo de eigenschappen van beide planten (aanpassing aan lokale omstandigheden en hogere produktie/betere kwaliteit) te combineren. Het enige wat hij betaalt is de prijs van het zakje zaad van het nieuwe ras. Er is geen enkele vergoeding verschuldigd aan de 'uitvinder' van dat ras. Sterker nog, veel landen verzamelen landrassen en wilde varianten van planten. Wanneer een veredelaar in een ontwikkelingsland bijvoorbeeld een oud Europees ras of een wilde variant wil inkruisen, hoeft hij alleen maar een fax te sturen en het zaad wordt gratis naar hem verstuurd.

Ook de ruilhandel, waarmee boeren in arme landen het zaad financieren, kan onder de huidige regels gewoon worden gehandhaafd. Pistorius en Van Wijk schetsten een situatie waarin een arme boer zaad betaalt door achteraf een deel van zijn oogst in te leveren. Het commercieel verhandelen van eigen vermeerderd zaad is weliswaar verboden, maar hij mag het eindprodukt, bijvoorbeeld graan, verkopen aan wie hij wil.

Het is overigens de vraag of het kwekersrecht gevolgen zal hebben voor de allerarmsten, de zelfvoorzienende boer die buiten het monetaire circuit opereert. Deze boeren zijn waarschijnlijk het beste af met de bestaande, goedkope landrassen, omdat bij primitieve teeltmethoden de superieure eigenschappen van een nieuw ras niet of nauwelijks tot uiting komen.

Volgens Pistorius en Van Wijk bestaat er in ontwikkelingslanden een enorme aversie tegen het kwekersrecht. In de praktijk is daar weinig van te merken. Veel ontwikkelingslanden hebben hun wetgeving (gedeeltelijk) aangepast aan de UPOV-regels.

Het vereist een omslag in het denken over eigendom en plantmateriaal, dat is zeker. Maar de politici in die landen weten ook dat kwekersrecht ervoor zal zorgen dat zaadbedrijven zaad aan hun boeren willen verkopen en eventueel speciale rassen voor de regio zullen ontwikkelen.

Kwekersrecht alleen kan het wereldvoedselprobleem niet oplossen, maar het is de basis waarmee boeren in de Derde Wereld in staat worden gesteld beter zaad te kopen, daarmee hun oogst en de kwaliteit te vergroten en uiteindelijk de groeiende bevolking van eten te voorzien.