'VN waren tegen aanvallen'; Smith: NAVO bereid tot actie bij Srebrenica

SARAJEVO/NAPELS, 31 JULI. De NAVO is vorig jaar juli dagenlang bereid geweest in actie te komen tegen de Bosnisch-Servische belegeraars van Srebrenica, de moslim-enclave in Oost-Bosnië. Maar de VN blokkeerden het ingrijpen.

Dat heeft de Amerikaanse admiraal Leighton-Smith gezegd aan de vooravond van zijn afscheid als commandant van de NAVO-vredesmacht in Bosnië, IFOR. Vandaag gaat Smith met pensioen. Hij wordt opgevolgd door de Amerikaanse vice-admiraal Joseph Lopez.

Volgens Smith heeft hij vorig jaar herhaaldelijk met commandanten van de VN gebeld om aan te dringen op urgente actie tegen de Bosnische Serviërs bij Srebrenica. Maar al die verzoeken werden afgewimpeld, tot 11 juli, toen twee halfslachtige luchtaanvallen werden uitgevoerd. Die kwamen te laat en waren onvoldoende om de Bosnische Serviërs af te schrikken. Zij dreven de Nederlandse VN-troepen bijeen en namen de enclave zonder moeite in. Sindsdien worden duizenden moslim-inwoners van de enclave vermist; algemeen wordt aangenomen dat ze zijn vermoord. Smith noemde die moorden “walgelijk” en zei dat ze hadden kunnen worden voorkomen. “De NAVO was klaar. We waren voorbereid veel sneller te handelen dan we deden.”

Smith sprak zich in scherpe termen uit tegen de 'dubbele sleutel', de voorwaarde dat zowel de NAVO als de VN toestemming moesten geven voor luchtaanvallen in Bosnië. Omdat de VN veel voorzichtiger waren in het gebruik van het luchtwapen zijn talrijke luchtacties uitgebleven bij gebrek aan medewerking van de toenmalige VN-gezant in ex-Joegoslavië, Akashi. Maar ook de toenmalige VN-commandant Janvier lag zo hardnekkig dwars dat Smith hem ervan verdacht een geheime afspraak te hebben gemaakt met de Bosnische Serviërs - hetgeen overigens, naar later bleek, inderdaad het geval was maar volgens Smith indertijd door Janvier werd ontkend.

Bij zijn afscheid herhaalde admiraal Smith gisteren nog eens dat het opsporen en aanhouden van personen die van oorlogsmisdaden worden verdacht niet tot het mandaat van de IFOR-soldaten behoort. Hij heeft dat gegeven steeds verdedigd met het argument dat soldaten niet de meest geschikte mensen zijn voor “het detectivewerk” dat bij het opsporen en aanhouden komt kijken.

Gisteren suggereerde de admiraal dat er ook politieke redenen zijn waarom IFOR-soldaten zich niet met vermoedelijke oorlogsmisdadigers moeten bezighouden: de aanhouding van Bosnische Serviërs zou tot onrust in de Servische Republiek in Bosnië kunnen leiden, de verkiezingen van 14 september in gevaar kunnen brengen en “repercussies” kunnen hebben voor de talrijke civiele organisaties, zoals de VN-hulporganisatie UNHCR, die in Bosnië aanwezig zijn. (Reuter, AFP, AP)