Op het platteland is de binding weg

HOUWERZIJL, 31 JULI. Alleen in geval van brand is iedereen in het Groningse dorp Houwerzijl nog te mobiliseren. “Dan wordt het onverwachts gezellig”, zegt W. Hoogstra, bestuurslid van Dorpsvereniging Houwerzijl. Zeventig gezinnen zijn voor een tientje per jaar lid van deze vereniging. Niet gek voor een dorp met 93 huizen, vindt Hoogstra. Maar de vereniging zit in een impasse - dit jaar wordt niks georganiseerd. “Er komt toch niemand op af.”

Saamhorigheid en burenhulp verdwijnen volgens de Vereniging Kleine Dorpen Groningen uit dorpen en gehuchten. Voorzitter R. Mantingh maakt zich hier zorgen over, want de leefbaarheid van het platteland staat op het spel. “Ouderen komen in de knel. Ze hebben weinig contact en voelen zich onveilig. Ook voor jonge moeders, wier man elke dag met de auto naar het werk moet, wordt het leven moeilijker. Zij raken geïsoleerd.”

Mantingh zegt steeds meer signalen te krijgen dat het niet goed gaat in de dorpen. Winkels, scholen en openbaar vervoer verdwijnen, dorpshuizen zijn nog maar beperkt open en verenigingen vinden moeilijk actieve leden. En Mantingh roert niet een specifiek Gronings plattelandsprobleem aan, ook in andere afgelegen gebieden verdwijnt volgens hem de saamhorigheid.

De problemen zijn volgens Mantingh voor een deel te wijten aan de 'allochtone' plattelandsbewoners, vaak mensen uit steden die voor de rust buiten gaan wonen en weinig boodschap hebben aan de dorpsgemeenschap. “In een dorp wonen mensen van diverse pluimage. De binding is weg. De nieuwkomers voeren op een dorpsvergadering het hoogste woord, maar doen verder niet mee. Dat valt niet altijd goed.”

Een andere oorzaak is volgens Mantingh de individualisering van de samenleving, waardoor de burenhulp verdwijnt. “Op het platteland lopen we altijd achter. Maar hier begint de individualisering nu ook door te werken”, aldus de voorzitter van de Vereniging Kleine Dorpen Groningen.

Het dorp Houwerzijl in Noord-Groningen maakt op een zomerse dag geen doodse indruk. De Hoofdstraat staat vol met auto's van dagjesmensen. Een touringcar blokkeert de oprit van een woning. Het is het Theemuseum - waar het volgens een bezoeker “zo lekker ruikt” - dat de mensen naar Houwerzijl trekt.

Bestuurslid Hoogstra van de dorpsvereniging woont er tegenover. Veel bewoners van de Hoofdstraat hebben volgens haar last van de geparkeerde auto's. Maar het lukte tot dusver niet de dorpsbewoners te mobiliseren om de gemeente De Marne over te halen parkeerplaatsen aan te leggen.

Ook over het paar dat het Theemuseum leidt, is ze niet zo te spreken. “Hij is een psychologie-student uit Amsterdam en zij komt uit Groningen”. Met Houwerzijl zou het stel weinig binding hebben . “Ze hebben de kerk voor een gulden gekocht. Als die op de prairie had gestaan, hadden ze hem ook gekocht”, zegt Hoogstra. Het Theemuseum betrekt de dorpsbewoners volgens haar te weinig bij activiteiten, zoals de jaarlijkse paasmarkt.

In het dorp wonen nog enkele geboren en getogen Houwerzijlsters. Jonge gezinnen zijn weggetrokken: geen scholen, geen winkels. Omdat de woningen goedkoop zijn, wonen volgens Hoogstra in Houwerzijl veel mensen uit de stad Groningen en de Randstad. Maar dat zijn niet de bewoners die zich voor het dorp inzetten. “Ze zijn zelfs nog te beroerd om een enquête van de dorpsvereniging in te vullen.” Veel mensen zouden zich op het platteland verkijken. Het is ze te rustig en als de wind verkeerd staat, wil het door nabijgelegen veebedrijven nog wel eens stinken. De doorstroming is groot, wat het dorpse leven niet ten goede komt.

En, zo zegt dorpsbewoner J. Buwalda op het terras van herberg De Houwersiel, de gereformeerden zijn weggegaan toen de kerk dichtging. “Vroeger woonden bij mij in de straat allemaal gereformeerden. Nu zijn wij de enigen.” Hij drinkt een biertje, zijn vrouw en vriendin J. Pots eten een coupe met ijs en chocoladesaus. Ze zijn niet ontevreden over Houwerzijl. De Buwalda's hebben geen auto, maar er komt twee keer in de week een SRV-wagen. “En ik neem altijd boodschappen voor ze mee uit Leens”, zegt Pots.

Voorzitter Mantingh van de Vereniging Kleine Dorpen Groningen meent dat elk plaatsje “een dorpshuis moeten hebben dat vaak open is en waar iedereen welkom is.” Maar die dorpshuizen zijn moeilijk te leiden. Er moet geld bij, er zijn te weinig vrijwilligers en de regels van bijvoorbeeld de Keuringsdienst van Waren zijn ingewikkeld. “Een vrijwilliger heeft weinig zin zich daarin te verdiepen. Die wil gewoon een biertje tappen.”

Maar het gaat niet overal slecht, verklaart Mantingh. Vanuit zijn huis in Nieuw Scheemda wijst hij naar de overkant van de straat - de plaatselijke voetbalclub bouwt daar met hulp van vrijwilligers een nieuwe kantine.

Voorzitter G. Krol van de Vereniging Kleine Dorpen Friesland deelt de bezorgdheid van haar Groningse collega. Krol vreest vooral dat de zorg voor ouderen en gehandicapten in kleine dorpen in het gedrang komt. “Mensen willen een helpende hand bieden, maar niet meer dag in dag uit.” Toch ziet zij dat in veel Friese dorpen nog sprake is van een grote saamhorigheid. De dorpshuizen in Friesland zouden floreren. Belangrijk verschil met Groningen is volgens haar dat een groot aantal van de vierhonderd Friese dorpen slechts een paar honderd inwoners heeft. “De binding is daar nog vrij groot.”

Een oplossing voor het verdwijnen van de saamhorigheid heeft de Groninger Mantingh niet voorhanden. Het heeft volgens hem allemaal met voorzieningen te maken. Met geld dus, zegt hij. “Ons land is te klein om het platteland ten dode op te schrijven.”

    • Herman Staal