Langharige militair met oorring straalt nu eenmaal geen gezag uit

De krijgsmacht wil strengere eisen gaan stellen aan het uiterlijk van de Nederlandse militair. Lang haar en oorringen worden taboe. Heel goed, vindt M. van den Doel. Zulke uiterlijke franje past niet bij het imago van een gedisciplineerd beroepsleger, dat moet zien te werken met meer onervaren en lager opgeleide mensen dan het vroegere leger van dienstplichtigen. Bovendien is ook de samenleving veranderd, sinds de vrijgevochten jaren zeventig.

Over een paar weken verlaten de laatste dienstplichtigen voorgoed de kazernepoort. De omvorming van een kader-militie krijgsmacht, die voor het merendeel bestond uit dienstplichtigen, naar een beroepskrijgsmacht is dan een feit. Ofschoon de politieke beslissing om de dienstplicht in de ijskast te zetten snel was genomen, verloopt de omschakeling naar een vrijwilligerskrijgsmacht niet zonder slag of stoot.

Dit is ook niet verwonderlijk. Het maakt nogal een verschil. Vroeger kon Defensie jaarlijks de meest geschikten selecteren uit een bestand van 90.000 jonge mannen. Nu is men geheel afhankelijk van het aanbod op de arbeidsmarkt. Een ingenieur als geweerschutter, zoals voorheen wel voorkwam, behoort voorgoed tot het verleden.

Het verloop van het reorganisatieproces binnen de krijgsmacht is min of meer te vergelijken met een bedrijf dat méér moet gaan produceren met minder mensen. Tegelijkertijd wordt het personeel bijna volledig vervangen door onervaren en lager opgeleide mensen. Bij zo'n omschakelingsproces behoort een aantal maatregelen. Eén daarvan is het stellen van duidelijke normen. Het nieuwe personeel moet weten wat van hen wordt verwacht. Een herijking van de filosofie van 'vermaatschappelijking' uit de jaren zeventig is daarvoor noodzakelijk.

Over die noodzaak wordt echter verschillend gedacht. De militaire vakbonden zijn bang voor een ruk naar rechts. De verworvenheden van de jaren zeventig mogen van hen niet ter discussie worden gesteld. Zo zijn onlangs twee militairen die in Italië waren gelegerd door de luchtmachtleiding teruggehaald naar Nederland omdat hun haardracht niet aan de normen voldeed. De vakbonden willen hier nu opheldering over. Zo'n Pavlov-reactie past precies in de oude situatie. Maar in de nieuwe omstandigheden is, zowel vanuit de belangenbehartigers van het personeel als ook vanuit de politiek, een andere opstelling vereist. Vroeger behoorde het immers tot de uitzonderingen dat Nederland meedeed aan vredesoperaties. Nu is het één van de belangrijkste taken.

Bovendien maakte een gemengde samenstelling van het personeel, namelijk beroeps- en dienstplichtige militairen het noodzakelijk dat er op het gebied van de normen wat water in de wijn werd gedaan. Dat laatste was overigens afgedwongen door de soldatenvakbonden èn de politiek en had zeker niet de voorkeur van de leiding en de beroepsmilitairen in de krijgsmacht. Het militaire beroep is nu eenmaal geen doorsneeberoep. Alhoewel uiterlijk voorkomen geen enkele garantie is voor kwaliteit, behoort een geweldsinstrument als de krijgsmacht gezag uit te stralen. lang haar en oorbellen passen niet bij dat beeld. Bovendien zijn ze ook disfunctioneel. Militairen moeten vaak onder primitieve en slechte hygiënische omstandigheden hun werk uitvoeren. Verder kan het dragen van oorbellen of andere ornamenten tijdens de taakuitvoering tot lichamelijk letsel leiden.

Niet alleen de eerder genoemde nieuwe taak, zoals de uitvoering van vredesoperaties en humanitaire missies, maar ook een nieuwe categorie personeel maken het noodzakelijk dat er op het gebied van normen duidelijkheid ontstaat. Diegenen die de oude situatie willen handhaven hebben dan ook geen oog voor de gewijzigde omstandigheden.

In de eerste plaats is de Nederlandse krijgsmacht niet meer de opleidingsfabriek van de jaren tachtig, maar een organisatie die internationaal moet presteren. Maandenlang een belangrijke politieke en militaire taak uitvoeren, onder primitieve omstandigheden en vaak in riskante situaties, stelt andere eisen aan het personeel dan de kazernecultuur van acht tot vijf. Aanpassing van die bedrijfscultuur, die zich kenmerkte door een sterk bureaucratisch gehalte, is daarom gewenst. De regelgeving uit de jaren zeventig dient dan ook kritisch te worden bezien op haar noodzakelijkheid.

In de tweede plaats is de personele samenstelling van de krijgsmacht grondig veranderd. De gemiddelde opleiding van de Beroeps Bepaalde Tijd (BBT'er) is een fors stuk lager dan die van de dienstplichtige. Het kwaliteitssurplus dat bij dienstplichtigen aanwezig was, ontbreekt. Zeventig procent van de dienstplichtigen had een opleiding op MBO-niveau of hoger. Bij de BBT'ers heeft slechts veertien procent, in hoofdzaak de BBT'ers die kaderfuncties bekleden, een HAVO/VWO-opleiding. Het overige deel heeft een opleiding op LBO-, MAVO- of lager schoolniveau. Ook zijn de maatschappelijke achtergronden minder divers dan bij de dienstplichtigen het geval was. De zoon van de gezagsgetrouwe boer uit Zeeland, die het als een plicht beschouwde om het vaderland te dienen, wordt vervangen door een BBT'er die veelal louter door materiële motieven een onderdak zoekt bij de krijgsmacht. Dit wordt bevestigd door recent onderzoek waaruit blijkt dat 63 procent al een baan had voordat men bij Defensie solliciteerde.

In de derde plaats wordt voorbijgegaan aan de maatschappelijke ontwikkelingen van de afgelopen jaren. Ook in de burgermaatschappij zijn de bakens verzet. Waar het eerste beste, civiele beveiligingsbedrijf, met of zonder keurmerk, een smetteloze bewaker eist, zou Defensie genoegen moeten nemen met onverzorgd personeel, lang haar en oorbellen? Een werkgever, ook de overheid, behoort zijn eisen te stellen op grond van de taken die het personeel moet uitvoeren. Wat dat betreft ijlt de overheid altijd na. Logge bureaucratieën hebben nu eenmaal meer tijd nodig om het roer om te gooien.

Onlangs bracht de Maatschappelijke Raad voor de Krijgsmacht (MRK) een rapport uit waarin zij de staatssecretaris van Defensie adviseerde een gedragscode voor militairen op te stellen. Die aanbeveling is inmiddels overgenomen. Maar de Raad verzette zich tegen het stellen van striktere gedragsnormen. Met die laatste opvatting is de VVD het niet eens. Het ongelijk van de MRK wordt ook regelmatig in de praktijk bewezen. Zo werd enkele weken geleden bekend dat er op grote schaal soft- en harddrugs door BBT'ers worden gebruikt. Het maatschappelijk gedoogbeleid had zich tot in de kazerne uitgebreid. De leiding, niet voorbereid op deze nieuwe ontwikkeling, volstond met een laissez-faire beleid. BBT'ers hebben gezien hun achtergronden, opleiding en leeftijd behoefte aan duidelijkheid. De krijgsmacht moet hen die wel verschaffen. Een heldere grensafbakening van datgene wat wel en niet wordt geaccepteerd is dan ook voor het gehele personeel noodzakelijk. De krijgsmacht behoeft, als het om de negatieve aspecten gaat, zeker geen afspiegeling van de samenleving te zijn. Normaal burgerfatsoen, goede omgangsvormen, innerlijke en uiterlijke discipline (ook als men geen uniform draagt), een bepaalde beroepsethiek zijn hierbij van belang. Wat de beroepsethiek betreft moet deze krijgsmacht-breed worden geformuleerd. De politieke en militaire leiding moet dan wel waken over de condities waaronder deze kunnen worden uitgevoerd. Een dergelijke opstelling noem ik geen ruk naar rechts, maar het personeel toerusten voor hun plaats in een overheidsapparaat dat een unieke en zwaarwegende positie inneemt doordat het een geweldsinstrument vormt in handen van de regering.