Kamer

Elke vrijdagavond steeg er uit het benedenhuis een vreemd gezang op, een monotoon geweeklaag, dat mij een beetje bang maakte. Het had iets beklemmends en onafwendbaars en drong door tot in de kamer erboven, die op de vervallen achtergevels van de Almondestraat uitkeek en waar ik rondkroop over een roodgeblokt karpet tussen een labyrint van tafel- en stoelpoten.

Er was een kinderstoel waaromheen de geur van maïzenapap hing, een gaslamp met lila kralen, en een deur naar een donkere alkoof, waar naast een breed houten bed mijn witijzeren ledikant stond met een opklapbaar zijstuk van gevlochten ijzerdraad.

Toen ik negen maanden oud was, kwamen we in de Schoterbosstraat te wonen, waar mijn ouders aan hun wisselvallige toneelcarrière begonnen na zeven jaar een druk beklante herenkapperszaak in het centrum te hebben gedreven, die mijn vader had verkocht teneinde zich geheel aan zijn roeping te kunnen wijden. Wegens deze nieuwe broodwinning waren we op de goedkope, zonloze etage boven de uitdragerij van Groen verzeild geraakt - een lange, magere jood met ringetjes in zijn oren en een kroesbaard, die, begeleid door zijn gezin, het droefgeestige en vreesaanjagende gezang op vrijdagavond ten gehore placht te brengen. Soms zag ik hem zijn handkar uitladen wanneer ik in mijn wandelwagentje langs zijn opslagplaats werd voortgeduwd en achter de groezelige ruit, die op het aangeslagen glas van een aquarium leek, zijn vrouw en twee kinderen tussen troebele rotspartijen van vodden en tweedehands goederen als bleke vissen zag rondzwemmen.

Mijn moeder vond het een armoedige straat en schaamde zich er te moeten wonen, maar repeteerde er niettemin op een luchthartige, enigszins schalkse toon de nummers waarmee zij met mijn vader in variététheaters en bioscopen optrad. Behalve de kleuren van haar bühnejaponnen - roze met witte kant en een korenblauwe met goudgalon - zijn mij flarden van melodieën, woorden en beelden bijgebleven, zoals wanneer ze achter elkaar, met een bamboestokje onder hun arm en hun hoofd schuin achterover, met vlugge, uitdagende passen zingend door de grauwe kamer manoeuvreerden; of wanneer mijn vader de liedjes doornam die hij op bruiloften en partijen voordroeg, waarbij hij zichzelf op zijn citer begeleidde.

Omstreeks de tijd dat ik net kon lopen, kregen we geregeld bezoek van een man met een zwarte garibaldihoed, een wit vest en een stok met een zilveren knop, die mij 's zondagsochtends kwam halen voor een wandelingetje. Ik moest opa tegen hem zeggen, ofschoon mijn moeder de gewoonte had geringschattend over hem te spreken. Zoals ze mij later vertelde, had dit te maken met het feit dat hij haar en mijn vader, toen ze elkaar pas kenden, door de stad had achtervolgd om hen en plein public met een ruw gebaar elk bij een arm te nemen onder de uitroep: 'Jij deze kant op en jij die!' Aanleiding was het verschil in geloof, daar mijn moeder protestants en mijn vader katholiek was. Zij heeft het hem echter nooit vergeven, en zodra zijn witte vest 's zondags in de duistere kamer oplichtte, verstrakte haar gezicht en fluisterde ze mij haastig toe me niet door hem te laten zoenen, omdat hij pruimde en dronk. Deze onduidelijke eigenschappen beangstigden en verwarden mij, vooral daar hij de gewoonte had ergens op de hoek van een plein een café te bezoeken - mijn ouders hebben dat blijkbaar nooit geweten - waar hij de pruim tabak in een hoge Keulse pot deponeerde en aan de tapkast tussen een stel luidruchtige mannen een groot glas bier nuttigde, met het gevolg dat ik niet blij kon zijn met het molentje van gekleurde veren dat hij onderweg weleens voor me kocht.

Wat ook bij de Schoterbosstraat hoorde was het opnemen van het roodgeblokte karpet, dat elke week op dezelfde vaste avond, wanneer er buiten na tienen geklopt mocht worden, plaatsvond. Eerst werd ik wakker door het gestommel en de stemmen van mijn moeder en mijn grootmoeder, die het kleed met de krakende trapleer en de matteklopper naar beneden droegen, en dan merkte ik aan de tocht in de alkoof dat de voordeur openstond, zodat een schrikwekkend lawaai van ontelbare mattenkloppers naar boven drong, waar alle stof en stank en armoe uit de huizen van de Schoterbosstraat leek te blijven hangen. De volgende morgen lag het karpet opgerold onder de kapstok in de gang en dweilde mijn moeder in haar ochtendjas het zeil in de kamer. Op haar knieën, het lange zwarte haar los over haar schouders, kroop zij met een emmer water naast zich telkens een eindje achteruit en aangezien ze mij verbood de natte vloer te betreden, stond ik wel een halfuur lang bij het raam, dat ik onder geen beding mocht verlaten. Met mijn kin tegen de scherpe richel van het kozijn staarde ik naar de ontredderde vensters aan de overkant, en omdat ik altijd bedroefd werd als ze zong, probeerde ik niet naar haar te luisteren terwijl ze al dweilend met een bepaalde toneelstem haar hele repertoire van liedjes afwerkte.

Het heeft vele jaren geduurd voor mijn moeder me bekende dat ze mij als straf in de wc opsloot wanneer ik het verbod om over de natte vloer te lopen in de wind sloeg. De eerste keer dat ze het mij vertelde was ik niet alleen pijnlijk getroffen, maar tevens stomverbaasd dat ik me daar niets van kon herinneren. Maar misschien heb ik er zoveel angsten doorstaan dat ik het heb verdrongen en vond ik het verblijf in het stikdonkere hok nog erger dan een halfuur lang naar de troosteloze ramen van onze berooide overburen te staren. In ieder geval bleek ik voorgoed een eind aan de strafmaatregel te hebben gemaakt door van huis weg te lopen. Want nog heugt mij het zoete gevoel van wraak en genoegdoening toen ze mij vertelde hoe ze me een keer niet in de wc had aangetroffen en in haar ochtendjas met loshangend haar de trap was afgevlogen. In de Schoterbosstraat had ze mij niet kunnen vinden, en op goed geluk was ze de hoek naar de Zomerhofstraat om gerend, waar ik alleen tussen de winkelende mensen in de richting van de Noordsingel liep.

Toen ik bijna vier jaar was, zijn we verhuisd, en ruim twintig jaar later, op 14 mei 1940, is er van de Schoterbosstraat noch van de Almonde- en Zomerhofstraat een steen op de ander gelaten. Soms vraag ik me nog weleens af wat er van Groen en zijn gezin is geworden, of ze het bombardement en de oorlog hebben overleefd, en onveranderlijk doemt dan weer de kamer in het licht van de gaslamp voor me op en hoor ik het gezang waar ik bang voor was, en dat als een voorbode van een onafwendbaar onheil heeft geklonken.