Het slopen van een muis

“It's not going to be a party of pleasure”, zei Bill, terwijl hij de stopfles met muizen voor zich neerzette. Als beginnend onderzoeker moest hij muizen besmetten met een virus. Het laboratorium deed onderzoek naar multiple sclerose (MS), een geheimzinnige ziekte van het zenuwstelsel die mensen op een akelige manier laat wegkwijnen.

Het virus veroorzaakte bij de muizen MS-achtige verschijnselen, en de onderzoekers in het lab bestudeerden wat voor veranderingen daarbij plaatsvonden in de hersenen en het ruggemerg van de muizen. Muis met virus was daarmee wetenschappelijk gesproken een model voor een mens met MS.

Bill nam de eerste muis uit de plastic fles, waar de beestjes in drie lagen over elkaar heen krioelden. Normaal vertoefden ze in een hok met zaagsel en voldoende ruimte, maar dit moest even. De muis ging in een bakje met ether en raakte na een paar seconden buiten westen. Voorzichtig pakte Bill het dier weer op, prikte een injectienaald in de schedel precies tussen oog en oor en spoot met vaste hand een minuscule hoeveelheid virushoudende vloeistof rechtstreeks de hersenen in. “Daar hebben ze geen last van”, verklaarde hij toen ik het onderwerp hersenbeschadiging ter sprake bracht. En inderdaad, na een minuut werd de eerste muis wakker in het zaagsel van zijn hok en begon verbaasd en nieuwsgierig om zich heen te snuffelen, een druppeltje bloed precies tussen oog en oor. Bill was op dat moment al weer twee muizen verder. “Wil jij ook een keertje?” vroeg hij na de tiende. Nog voor ik mijn weigering volledig had toegelicht snuffelden er twintig muizen rond in het zaagsel, stuk voor stuk met een druppel bloed boven hun rechterwang.

Hoewel Bill het werk onaangedaan en routineus uitvoerde was het duidelijk dat hij deze klus niet voor de aardigheid deed. Er werd niet geneuried, er klonken geen grapjes, het bleef ongebruikelijk stil. De vergelijking met het afwassen van glaswerk viel me in: vervelend maar noodzakelijk om het lab draaiend te houden.

Een paar dagen later had het virus zijn werk gedaan. Niet dat de muizen op een leek een zieke indruk maakten, maar de zenuwcellen waren blijkbaar voldoende beschadigd om te worden onderzocht. Bill kwam weer met een fles muizen het lab in en sprak opnieuw een waarschuwing uit. Ik besloot te blijven kijken.

De eerste muis ging de ether in, nu wat langer dan de vorige keer, en kwam er voor dood weer uit. Hij werd op zijn rug gelegd en met spelden door handjes en voetjes vastgeprikt. Ten overvloede ging er nog een speld door zijn neus. Toen nam Bill een schaar en knipte het vel van buik en borst over de volle lengte open. “Ik moet nu het bloed vervangen door een perfusievloeistof”, legde hij uit. “Dat is voor het conserveren van de delen die ik nodig heb.” Hij knipte met de schaar ook de ribbenkast open, klapte beide helften weg, opende de hartslagader en liet de vloeistof de bloedsomloop in stromen terwijl het bloed eruit liep. Dwars door de ether heen rook ik de lucht van een slagerij. “Kijk”, wees Bill, “je ziet nu de lever van kleur veranderen, van roodbruin naar gelig. Als die kleurverandering compleet is, is de perfusie gelukt.”

Ik keek, herkende ook het hart, en zag dat bewegen. Een stuip, meende ik, en vestigde Bills aandacht erop. “Nee nee”, zei hij. “Het hart klopt nog. Als het hart niet klopt is het vervangen van het bloed niet mogelijk. Maar als het bloed op is, staat het hart vanzelf stil.” De muis, of wat er van over was, leefde dus nog. Ik had even geen vragen meer.

Bill werkte door. “Het zou me verbazen als hij pijn heeft”, zei hij nog. Mij zou het ook verbazen, als een halve muis pijn kon hebben. Toen het dier helemaal was doorgespoeld werd ook de schedel opengeknipt en werden hersenen en ruggemerg uitgeprepareerd. Deze onderdelen gingen de diepvries in, voor microscopisch onderzoek tezijnertijd. De rest van de muis, inmiddels weinig meer dan een hoop losse onderdelen, ging in de afvalbak.

Gefascineerd sloeg ik Bill gade, in zijn vervreemdende combinatie van onverschilligheid en zorg. Ik had niet de indruk dat hij zichzelf elk moment het lijden van MS-patienten moest voorhouden om dit te kunnen doen. Ook zijn carrière, of zelfs maar zijn volgende publicatie, speelden niet door zijn hoofd. Eens, maanden geleden, had hij zichzelf overtuigd dat hij aan dit vuile werk niet ontkwam en had hij besloten om het dan maar zo goed mogelijk te doen, en daarbij zo weinig mogelijk na te denken. Hier was de automatische piloot in werking.

Bill keek op. De eerste muis was klaar. Nog negentien. “Wil jij straks ook een keertje?” Ik legde hem uit dat ik zonder aarzelen de stuurknuppel van een volle Jumbo zou overnemen, maar dat ik dit niet kon. Waarom niet, wou hij weten. De piloot van mijn Jumbo zou misschien op tijd kunnen ingrijpen, probeerde ik, terwijl ik de muis eigenhandig naar de andere wereld zou helpen, en dan nog wel op deze manier. Ja, ik begreep heus wel dat dit soort onderzoek niet voor de grap werd gedaan. Zeker, ik geloofde dat ook Bill leukere bezigheden kende, en nee, ik dacht niet dat ik de muis erger zou bezeren dan hij. Maar stel dat ik iets verkeerd deed, dan zou de muis nog voor niks sterven ook.

Bill glimlachte. Akkoord, ik was allang blij dat iemand anders zijn handen vuilmaakte. Bill glimlachte nog eens. Goed dan, goed dan. Ik durfde niet.

    • Herbert Blankesteijn