Echte leiders mogen best wat meer kosten

Het liefst zou zij het zo snel mogelijk zijn vergeten, maar nog nauwelijks een jaar geleden beleefde de Nederlandse politieke elite haar donkerste uren sinds decennia. De gebeurtenissen na de catastrofale val van Srebrenica toonden waartoe zij in tijden van crisis in staat is.

Met een schuin oog naar de media en de betrokken families noemde minister Voorhoeve de soldaten van Dutchbat 'helden'. Premier Kok dronk een biertje met 'onze jongens' en huilde met de wolven in het bos. Geen politicus die werkelijk verantwoordelijkheid nam voor het gebeurde, en niemand die tegen de publieke opinie in durfde te pleiten voor een meer gepaste, dus stille, afwikkeling van de zaak.

De perikelen na de val van Srebrenica staan niet op zichzelf. In tijden van internationale crisis blijkt telkens opnieuw dat het in de Nederlandse politiek aan echte leiders ontbreekt. Dat was het geval tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd, tijdens de crisis rond Nieuw Guinea, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, maar ook bijvoorbeeld tijdens de commotie rond de plaatsing van kruisraketten in de jaren tachtig. En met de te verwachten groei van het aantal VN-operaties, en een investering van de Europese besluitvorming in het vooruitzicht, zal dit leiderschapsprobleem in de toekomst steeds nijpender worden.

Wat is de oorzaak van dit voortdurende gebrek aan leiderschap? Het meest gehoorde antwoord op deze vraag is dat Nederlandse burgers nu eenmaal geen leiderstypen accepteren - 'Het land wars van betutteling', zoals het pas nog in een reclamespotje werd bezongen. Dit vrijgevochten karakter van 'de' Nederlander is echter van recente datum. Nog niet zo lang geleden stond ons land nog bekend als één van de meest gezagsgetrouwe naties van Europa. Het gebrek heeft dan ook een meer structurele oorzaak.

De Duitse socioloog Max Weber wees er aan het begin van deze eeuw al op dat een kiesstelsel van 'proportionele representatie' een 'leiderloze democratie' voortbrengt. Volgens dit stelsel krijgen politieke groeperingen zetels in het parlement toegewezen evenredig aan het percentage van de stemmen dat zij bij verkiezingen weten te behalen. Het resultaat is doorgaans dat geen enkele partij er in slaagt een absolute meerderheid voor haar denkbeelden te krijgen, en coalitievorming dus onvermijdelijk is. In deze situatie komen politici bovendrijven voor wie het sluiten van compromissen een tweede natuur is geworden.

Weber schreef over de Weimar Republiek van Duitsland, maar zijn analyse is evenzeer van toepassing op het Nederlands politieke systeem. Of het nu om Drees gaat, om Den Uyl of om Lubbers, 'staatslieden' in Nederland zijn vrijwel zonder uitzondering politici die als 'verzoeners' te boek staan, en niet als onafhankelijke en stoutmoedige aanvoerders. Voor echte leidersfiguren moet men ver terug in de geschiedenis, naar de tijd vóór 1917; dat wil zeggen, naar de periode voordat het stelsel van proportionele representatie in Nederland werd ingevoerd.

Afschaffing van dat stelsel, teneinde het leiderschapsprobleem van de Nederlandse politiek op te lossen, zoals in de afgelopen decennia door hervormers wel is bepleit, is echter om verschillende redenen geen goed idee. Voor binnenlands gebruik is het tot op heden immers van onschatbare waarde gebleken. Het heeft er in het verleden toe bijgedragen dat grote conflicten binnen de levensbeschouwelijke heterogene bevolking telkens opnieuw konden worden voorkomen. En het systeem bleef daarbij wonderwel gevrijwaard van een ander manco dat vaak aan proportionele representatie wordt toegeschreven: het probleem van starheid en stroperigheid. Misschien wel meer dan in andere landen bleek het in Nederland mogelijk nieuwe groepen snel te integreren in de besluitvormingsstructuur, en nieuwe issues (het milieu, de 'reconstructie' van de verzorgingsstaat) een plaats te geven in het beleid. Het zou daarom een grote fout zijn de proportionele representatie door een ander systeem te vervangen.

Dit neemt niet weg dat binnen de grenzen van het huidig bestel enkele kleine maar waardevolle hervormingen mogelijk zijn. Zo zouden bijvoorbeeld de bevoegdheden van de premier of de ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie op het terrein van de buitenlandse politiek worden verruimd. Veel belangrijker is evenwel de recrutering van de juiste mensen op topposities. Dit wil vooral zeggen: mensen die niet in de parlementaire en overlegpraktijk zijn gevormd. De ervaring van de afgelopen jaren heeft echter geleerd dat topmensen uit politiewereld, bedrijfsleven of wetenschap zich niet meer zo snel laten verleiden tot een overstap naar Den Haag. De lage maatschappelijke status die politici over het algemeen genieten maakt een dergelijke stap voor velen onaantrekkelijk. Om die reden dient vóór alles de status van toppolitici te worden opgevijzeld, onder meer door een forse verhoging van hun salaris en een uitbreiding van hun persoonlijke staf. Een echte leider mag best wat kosten.