De Leopard-kwestie

DE KALAHARIWOESTIJN moet een ideaal oefenterrein voor tanks vormen. Dit onbevolkte en onherbergzame gebied dat het grootste deel van het territorium van Botswana in zuidelijk Afrika beslaat, biedt alle ruimte voor de nabootsing van tankveldslagen. Maar de aankoop door Botswana van vijftig verouderde Leopard I tanks van het Nederlandse leger is onzeker geworden door onverwachts hardnekkig Duits verzet. Daarmee dreigt de 'Leopard-kwestie' uit te groeien tot een merkwaardige zomeraffaire.

Botswana is een 'donor's darling'. Het land houdt zich aan de adviezen van de Wereldbank en het heeft - een zeldzaamheid in Afrika - geen steun van het Internationale Monetaire Fonds (IMF) nodig. De economie groeit jaarlijks voorspoedig (gemiddeld 6,6 procent tussen 1985 en 1994), mede dankzij de overboekingen van gastarbeiders uit buurland Zuid-Afrika en de diamantexport. Volgens de Wereldbank staat Botswana wat betreft gemiddeld inkomen per hoofd van de bevolking (2.800 dollar in 1994) tussen Venezuela en Estland en boven Rusland. Daarnaast is het land, met slechts anderhalf miljoen inwoners, politiek stabiel en respecteert het de rechten van de mens. Een grensgeschil met Namibië over een rivierbedding is voorgelegd aan het Internationale Gerechtshof in Den Haag.

Niets leek dan ook de verkoop van vijftig Nederlandse tanks aan Botswana in de weg te staan, totdat Duitsland begin dit jaar langs diplomatieke kanalen bezwaar maakte. De Leopard I tanks zijn dertig jaar oud en bij de aankoop is in een briefwisseling vastgelegd dat de Duitsers toestemming bij de doorverkoop van de tanks moeten geven. Dat was in 1968, ten tijde van de Koude Oorlog, en toen had zo'n clausule natuurlijk een strategische betekenis.

EEN PRESTIGESLAGJE is inmiddels uitgebroken over de tank-deal aan Botswana. De Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Kinkel (FDP), heeft de openbaarheid gezocht, bondskanselier Kohl heeft zich met het dossier bemoeid. Duitsland heeft zich opgeworpen als de spreekbuis van Namibië (voor de Eerste Wereldoorlog een Duitse kolonie), Nederland tot die van Botswana (vroeger een Britse kolonie). Duitsland wijst op de onzekere veiligheidssituatie in zuidelijk Afrika; Nederland op de positieve militaire bijdrage van Botswana aan VN-vredesmissies elders in Afrika. Ook al zullen de omstreden tanks daarbij vermoedelijk nooit ingezet worden.

Duitsland is intussen, net als Nederland, hard bezig overtollig wapentuig van de Bundeswehr en van de DDR-Volksarmee te dumpen in ontwikkelingslanden, óók in landen die in 'ontvlambare' gebieden liggen of waar het politieke klimaat twijfelachtig is. Het Duitse protest tegen de voorgenomen leverantie van de Nederlandse tanks aan Botswana doet dan ook nogal opportunistisch aan. Ook al blijft het een raadsel waarom Nederland niet tijdig contact met Duitsland heeft opgenomen om het meningsverschil langs diplomatieke weg op te lossen.

EEN ANDERE VRAAG is of het een verstandig idee is om vijftig tanks, geschut en legervrachtwagens aan Botswana te verkopen. Nederland verstrekt aan Botswana tien miljoen gulden ontwikkelingshulp per jaar en nu verpatst het voor dertien miljoen gulden aan afgedankt wapentuig. Het is niet verboden om oude wapens te verkopen en andere landen doen het ook. Het staat Botswana ook vrij om Nederlandse tanks te kopen. Maar misschien was het in dit geval fatsoenlijker geweest om één oude Leopard in een museum te zetten, een symbolisch aantal aan Botswana te schenken en de rest tot schroot te verwerken.