Wat maakt Cuba beter dan Birma?

Cuba en Birma zijn twee landen die gemeen hebben dat de bevolking elke zeggenschap in het landsbestuur rigoureus wordt ontzegd. Dat gebeurt weliswaar op geheel verschillende ideologische gronden, maar het kwalijke resultaat is hetzelfde: de burgers wordt een van hun belangrijkste mensenrechten onthouden.

De ideologische onderbouwing van zulk afkeurenswaardig beleid zou weinig terzake moeten doen, maar dat blijkt niet zo te zijn: wat in Birma niet getolereerd wordt, mag in Cuba blijkbaar wel. Zo lopen actiegroepen te hoop om een boycot af te dwingen tegen Heineken omdat dat bedrijf een bierbrouwerij wil opzetten in Birma. Tezelfdertijd verzet de Europese Unie zich hevig tegen het plan van de Verenigde Staten om sancties op te leggen aan bedrijven die economische banden met Cuba onderhouden.

Onlangs stuurde Nederland nog een handelsdelegatie naar dat land, gestimuleerd door de gemeente Rotterdam. De Europese Unie dreigt een handelsoorlog te ontketenen met de Verenigde Staten als die de Helms/Burton-wet uitvoeren. Deze wet voorziet in het opleggen van sancties aan bedrijven die investeringen doen in Cuba en zodoende gebruik zouden maken van indertijd door het Castro-regime genaaste Amerikaanse eigendommen. Inmiddels wordt de ASEAN, de belangengemeenschap van een aantal Zuidoostaziatische landen, door de Europese Unie op de vingers getikt omdat die landen geen heil zien in een door de EU gewenste politiek van confrontatie met het militaristische Birma.

Het is moeilijk om aan de conclusie te ontkomen dat hier met twee maten wordt gemeten. Cuba en Birma maken zich beide schuldig aan hetzelfde vergrijp, namelijk knechting van de bevolking. Schending van de mensenrechten moet kennelijk echter in Birma worden bestraft met economische sancties, maar mag in Cuba worden gedoogd. Nu heeft het Nederlandse actiewezen een lange staat van dienst waar het gaat om bevordering van - in Koude Oorlogstermen gesproken - 'linksgerichte' regimes en verguizing van 'rechtsgerichte'. Men kan lang redetwisten over de vraag wat uiteindelijk meer heeft bijgedragen aan de democratisering van Zuid-Afrika: de internationale economische boycot van dat land - warm gesteund door allerlei linkse actiegroepen - of het interne overredingsbeleid, zoals onder andere gevoerd door Shell. Als men neigt naar het eerste, dan zou de EU ook een economische boycot van Cuba van harte moeten ondersteunen en zou Nederland geen handelsmissies naar dat land moeten sturen. Geeft men daarentegen de voorkeur aan het geleidelijke overredingsmodel, dan zou de EU zich moeten onthouden van - ook door Nederland ondersteunde - kritiek op de ASEAN.

Zoals eerder in het geval van Zuid-Afrika, spelen actiegroepen ook in de kwesties van Cuba en Birma een twijfelachtige rol. Men moet zich afvragen of de zaak van de democratie gediend is met het doorsnijden van benzinepompslangen, het platbranden van supermarkten, of met de capriolen die Greenpeace zich meent te kunnen veroorloven. Een van de verworvenheden van de democratie is onder andere dat de burgers van Rotterdam en Delft elkaar niet langer de hersens inslaan over visrechten in de Schie, maar eventuele geschillen oplossen door middel van gekozen vertegenwoordigers. Het is daarom teleurstellend te moeten constateren dat we blijkbaar bezig zijn de klok terug te zetten en onze geschillen weer op straat gaan uitvechten. Als deze ontwikkeling niet gewenst wordt door de burgerij, dan zou men zich moeten afvragen of de gemeenschap de grenzen van dwarsliggerij door allerlei actiegroepen niet wat al te ruim gelegd heeft. En zeker zou de Nederlandse overheid en in het verlengde daarvan de EU, haar oren niet moeten laten hangen naar hun eenzijdige ideeën op het gebied van de bevordering van de mensenrechten. Van oudsher zijn Nederlanders een volk van dominees en kooplui, maar het gaat niet aan om de dominee uit te hangen in Birma, en de koopman in Cuba.

    • J.J. van der Vuurst de Vries