Surrealisme als een verbazing die door de tijd lijkt ingehaald; Kunsthal toont een verzameling-achteraf

Tentoonstelling: Surrealisme uit de Collectie Nederland. T/m 15 sept. Kunsthal, Westzeedijk 341, Rotterdam. Di t/m za 10-17u. Zo 11-17u. Cat ƒ 6,-

De gouache heet La saignée (De aderlating) en alles wat we erop zien is een oudroze muur, een donkergele lambrizering, en, aan de wand, een schilderij. Dat doek is gevat in een brede, goudkleurige lijst en toont een bakstenen muur, zonder begin of einde - het hele doek-op-doek is ermee gevuld. Toen René Magritte La saignée in 1939 schilderde, moet het een goed voorbeeld van surrealistische schilderkunst zijn geweest. Het hele spel met toeschouwer en werkelijkheid, waar Magritte zo beroemd mee is geworden, zit erin: het eerste schilderij is door zijn precieze schilderwijze een raam op de werkelijkheid; door dat schilderij zien we een tweede schilderij, wat misschien geen schilderij is maar een gat in de muur, maar welke muur? - ceci n'est pas une peinture, zoiets.

Al die associaties worden in gang gezet door het tweede schilderij: een doek waarop alleen bakstenen en cement zijn te zien moet in de jaren dertig als volslagen ridicuul zijn beschouwd. Wie tegenwoordig echter regelmatig een museum bezoekt, zal nauwelijks verbaasd zijn bij het zien van zo'n schilderij - hij is wel meer gewend. Dat is een beetje de tragiek van La saignée: het is ingehaald door de tijd, die het surreële doodgewoon heeft gemaakt.

Wie rondloopt op de tentoonstelling Surrealisme uit de Collectie Nederland in de Kunsthal in Rotterdam, krijgt al snel het gevoel dat de surrealisten ten onder zijn gegaan aan hun eigen succes. Enerzijds is op hun 'alles-moet-kunnen-houding', in het bijzonder die van Marcel Duchamp, aanvankelijk dadaïst maar later door het surrealisme opgeslokt, een groot gedeelte van de moderne kunst gebaseerd; anderzijds komt daardoor het verbaasde idealisme van oorspronkelijke surrealisten als Dali, Duchamp, Ernst of Breton tegenwoordig wat overspannen over. Hun beginselen van vervreemding, van parallelle werkelijkheden, en het belang dat zij hechtten aan de droom zijn zozeer gemeengoed geworden dat je je als toeschouwer begint af te vragen waarom zij zich eigenlijk zo druk maakten.

Nu zullen zulke gevoelens van afstand ook wel wat te maken hebben met het feit dat het surrealisme in Nederland nooit erg is aangeslagen. J. Bernlef heeft ooit geschreven dat die geringe belangstelling te wijten was aan 'een oubollig provincialisme, ons calvinistisch eenrichtingsverkeer en onze neutraliteit in de Eerste Wereldoorlog'. Er ontstond wel een 'calvinistische variant' op het surrealisme: het magisch realisme, van schilders als Carel Willink en Pyke Koch. In hun werk geen hallucinerende droombeelden of wegdruipende horloges; de luchten waren slechts wat donkerder en de vrouwen wat hologiger dan in werkelijkheid. Zoals Pyke Koch het ooit omschreef: 'Het magisch realisme bedient zich van voorstellingen die wel mogelijk maar niet waarschijnlijk zijn, het surrealisme van onmogelijke, onbestaande of onbestaanbare situaties'.

Het geringe enthousiasme in Nederland voor het surrealisme was vermoedelijk ook de voornaamste reden voor het feit dat surrealistische kunst in Nederland pas werd verzameld toen de beweging in Frankrijk allang weer voorbij was. Het eerste museum dat met een surrealistische collectie begon was Museum Boijmans Van Beuningen, in 1965 - veel te laat om nog een verzameling van werkelijke betekenis aan te leggen. Dat Boijmans er toch toe overging moet ongetwijfeld zijn geweest omdat het kunsthistorisch belang van het surrealisme op dat moment al lang en breed was bewezen.

Toch bleef Boijmans het Nederlandse museum met surrealistische belangstelling, en dat blijkt ook op de tentoonstelling in de Kunsthal, die voor 90 procent uit werken uit de Boijmans-collectie bestaat. Helaas bevat die collectie opvallend veel kenmerken van een 'verzameling-achteraf' - alle groten van het surrealisme zijn wel zo'n beetje vertegenwoordigd (Dali, Magritte, Man Ray, Max Ernst, Duchamp, Hans Arp, Francis Picabia), maar zelden met echt belangrijke of aansprekende werken. Bovendien stammen er pijnlijk veel (litho's, etsen, 're-makes') uit het midden van de jaren zestig, de periode dat surrealisten als Duchamp en Dali hun roem schaamteloos financieel aan het uitmelken waren.

Dat betekent niet dat alles op de tentoonstelling even matig is. Bijzonder zijn bijvoorbeeld Papillons - een merkwaardig dromerige Picabia (van de Hannema de Stuers-Fundatie) -, twee doeken van Giorgio de Chirico, en de meeste Magrittes op de tentoonstelling. Want ondanks de vergankelijkheid van het surrealisme is Magritte, door zijn precieze schilderstijl en de veel minder tijdgebonden wijze waarop hij zich meestal bewust is van de vele interpretatielagen die een schilderij kan hebben, de kunstenaar die nog steeds het meeste aanspreekt.

Dat neemt niet weg dat Surrealisme uit de Collectie Nederland zich als geheel niet weet waar te maken. Zo hangen twee van de mooiste surrealistische werken uit de Boijmans-collectie, La reproduction interdite van Magritte, en Het raadsel van Isidore Ducasse van Man Ray, op de door Hans Haacke samengestelde tentoonstelling in het Boijmans zelf, en ontbreekt er voor een overzicht van de surrealistische collectie Nederland opmerkelijk veel, zoals La Horde van Max Ernst uit het Stedelijk Museum in Amsterdam en Composition avec des cordes van Miro uit het Van Abbe Museum in Eindhoven. Bovendien wordt er op de hele tentoonstelling met geen woord gerept over de 'Utrechtse school': de enige Nederlandse kunstenaarsgroep die affiniteit met het surrealisme vertoonde. Daardoor ontbreekt ook Johannes Moesman, de interessantste Nederlandse surrealist, geheel. Door al die omissies verwordt Surrealisme uit de Collectie Nederland tot een ronkende titel, die moet verhullen dat deze expositie niet veel meer is dan een aangekleed overzicht van een deelcollectie van Boijmans.

    • Hans den Hartog Jager