Staat laat Nederlandse banken links liggen bij privatisering

ROTTERDAM, 30 JULI. Voor de derde maal dit jaar vergeeft de overheid een financiële adviesfunctie bij de verkoop van een staatsdeelneming aan een Angelsaksische zakenbank. Nederlandse banken, die op buitenlandse markten moeten opboksen tegen lokaal chauvinisme, hebben op hun thuismarkt te maken met een overheid die weinig opheeft met de gedachte dat lokale banken wat voorgetrokken moeten worden.

Gisteren kreeg de Britse zakenbank NatWest Markets het mandaat als financieel adviseur van de overheid bij de verkoop van het belang van 30 procent van de aandelen in participatiemaatschappij Alpinvest (600 miljoen gulden vermogen, deelnemingen in 120 bedrijven). Eerder ging de adviseursrol voor de verkoop van automatiseringsbedrijf Roccade al naar de Amerikaanse zakenbank Merrill Lynch, en in februari adviseerde de Britse zakenbank Schroders bij de verkoop van het resterende overheidsbelang in chemieconcern DSM.

De taak van een financieel adviseur is het staatsbelang in geld te waarderen en de overheid te adviseren over de beste mogelijkheid om de hoogst mogelijke prijs te krijgen bij verkoop. De selectie van de adviseur gebeurt doorgaans nadat een beperkt aantal partijen presentaties heeft gehouden bij de opdrachtgever. Een beauty contest, heet dat in het van Angelsaksisch jargon doortrokken financiële wereldje.

“In het buitenland zou de voorkeur voor buitenlandse adviseurs ondenkbaar zijn. Zeker in Engeland en Frankrijk”, zegt een directeur van een Nederlandse bank die vergeefs een gooi deed naar de adviesrol bij de verkoop van het staatsbelang in Alpinvest. “Het is wel een signaal dat wij met zijn allen wat alerter moeten zijn en wellicht een tandje hoger moeten schakelen”, zegt directeur Wentges van de onafhankelijke zakenbank Kempen & Co.

Financiën en Economische Zaken zien niets in een 'Koop Nederlandse waar dan helpen wij elkaar'-beleid bij toewijzing van adviseurschappen. Zalms voorganger als minister van Financiën, Kok, zette zes jaar geleden de toon. “Het is opvallend dat buitenlandse instellingen tegenover de Staat soms meer blijk hebben gegeven van aandacht voor het onderhouden van een lange-termijnrelatie. Dit uit zich in regelmatige contacten, buiten de meer incidentele winstkansen bij bepaalde transacties om.” Kok spoorde vaderlandse banken aan om een “wellicht in Nederlandse ogen enigszins agressieve marktbenadering” te kiezen.

Chauvinisme bij selectie van adviseurs “is slecht voor de business”, zegt een woordvoerder van Financiën. De overheid wil per geval het beste advies. Dat is haar verplichting tegenover de belastingbetaler. Bankiers brengen daartegen in dat zij alleen ervaring en geloofwaardigheid kunnen opbouwen als zij ook adviesfuncties krijgen, zoals de Britse zakenbanken een voorsprong hebben genomen doordat zij konden profiteren van de opdrachten die de regering Thatcher uitdeelde bij de privatiseringshausse in de jaren tachtig.

Wat Kok in 1989 begon met de verkoop van de Postbank, een 100 procent staatsdeelneming, zet Zalm in hoog tempo door. Het is het linksliberale kabinet ernst met de verkoop van staatsdeelnemingen. Veel staatsbedrijven heeft Nederland in vergelijking met de Zuideuropese landen niet. Directeur financieringen drs. J. Lintjer werkt op het ministerie van Financiën de dossiers weg in volgorde van belangrijkheid, zo lijkt het wel, en dat is in volgorde van mogelijke opbrengst voor de overheid.

Post- en telecombedrijf KPN was de grootste klus (13 miljard gulden opbrengst, nog een resterend aandelenbelang van 45 procent), daarna volgde dit jaar DSM (1,1 miljard verdiend) en nu dat is afgerond komen de kleinere deelnemingen. In diezelfde categorie heeft de overheid bijvoorbeeld nog aandelen van de Staatsdrukkerij (100 procent), maar ook van het beursgenoteerde staalbedrijf Hoogovens (15 procent). De verkoop van Alpinvest kan ongeveer 200 miljoen gulden opleveren. Dat de overheid daarvoor de Britse bank NatWest in de arm neemt, komt voor kenners van de markt niet als een verrassing. Zij wijzen er op dat NatWest in deze specifieke bedrijfstak in Engeland ervaring heeft opgedaan door de beursintroductie, twee jaar geleden, van Investors In Industry, tegenwoordig kortweg 3i, de Europese marktleider in de participatiesector. Alpinvest wil zelf volgend jaar ook naar de effectenbeurs, maar wacht nog op het definitieve groene licht van de aandeelhouders.

Het vaststellen van de waarde van een participatiemaatschappij zoals Alpinvest, die deelnemingen heeft in 120 bedrijven, is geen sinecure, al is er in Nederland wel een hele goede maatstaf: de NPM, die aan de Amsterdamse effectenbeurs genoteerd is. Daar komt bij dat ongeveer de hele Nederlandse financiële sector tot de aandeelhouderskring van Alpinvest behoort, voorop ABN Amro met een belang van 49 procent. “Men kent elkaar. De overheid wilde ABN Amro niet voor het hoofd stoten door een grote Nederlandse concurrent te nemen”, suggereert een bankier. Als Alpinvest naar de beurs gaat, moeten de aandelen verkocht worden aan beleggers. Nieuwe kansen, nieuwe prijzen.

    • Menno Tamminga