Kopjeduikelen

Wie als kind lid van een gymnastiekvereniging is geweest, herinnert zich naast het kopjeduikelen en de vogelnestjes ook de marsmuziek, de paradepas en het vlagvertoon tijdens De Uitvoering die jaarlijks in het Verenigingsgebouw werd gehouden.

Allemaal in witte pakjes en witte gympjes op het toneel, allemaal in het gelid voor de ogen van trotse ouders, ooms en tantes, broers en zusjes. Dat gymnastiek (uit het Latijn) of turnen (uit het Duits) als vorm van lichamelijke opvoeding ook had moeten bijdragen tot morele vorming, zoals gehoorzaamheid en oplettendheid, beseffen weinigen meer. Zo was het namelijk vooral bedoeld door de mensen die halverwege de achttiende eeuw ons opzadelden met gymnastische oefeningen.

Dat waren dan ook Duitsers, mensen als Basedow, GutsMuths en niet te vergeten Turnvater Jahn. Turnen was ook het antwoord op invloeden die vanuit het buitenland en vooral vanuit Engeland op de Duitse samenleving werden uitgeoefend. Sport werd gezien als on-Duits. Tegenover sport werd turnen geplaatst en het zou verstrekkende gevolgen hebben. Turnen werd massaal beoefend en is nog altijd de tweede sport in Duitsland.

De turnbeweging verried door toedoen van Jahn een sterk patriottistisch karakter. Een gemeenschappelijk uniform en onderlinge aanspreekvormen als Du, Bruder en Schwester vergrootten bovendien het gevoel van sociale gelijkheid. De aanhangers reageerden daarmee op het naar hun idee nutteloze plezier en het wedstrijdkarakter dat in de Engelse sporten centraal stond. Volgens de beweging diende het niet om de prestatie maar om de sporter te gaan; niet de afstand of hoogte van de sprong was van belang, maar de lichamelijke houding en vaardigheid. In het Duitse turnen werden zelfs limieten gesteld aan de prestaties. Het overtreffen diende geen extra waardering te oogsten.

Turnen of gymnastiek heeft altijd een opgelegd karakter gedragen. Pas toen als gevolg van de hang naar meer bewegingsvrijheid het militarisme bij het turnen aan de kaak werd gesteld, kreeg lichamelijke oefening een spontaner gezicht. De conservatieve bewegingen bleven zich echter verzetten tegen de 'versporting' van het turnen. Zij vreesden dat deze ontwikkeling zou leiden tot materialisme en egoïsme, onesthetische verkramping, recordmanie en overwaardering van de prestatiemeting. Sport gold als oppervlakkig, omdat de beoefening niet in dienst zou staan van 'hogere' idealen als vaderlandsliefde of gelijkheidsstreven, maar gekenmerkt zou worden door individualisme, hiërarchisering en heldenverering. In Duitsland werd eind negentiende eeuw nog gewaarschuwd tegen 'Engelse ziekten' als voetbal.

Dat turnen in welke vorm dan ook de wereld zou veroveren, was het gevolg van een mengeling van angst en fascinatie ten aanzien van Duitse prestaties. De machtsuitbreiding van Duitsland eind vorige eeuw vormde een bedreiging. Het succes van Duitsland, de modernisering en beschaving in dat land, stimuleerden andere landen om via dezelfde methoden een 'algemene volksversterking' na te streven. In Nederland stelde in 1851 de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen een 'inrigting voor de gymnastiek' in. Tien jaar later werden de eerste turnverenigingen opgericht.

In Griekenland speelde ook een Duitser, Julius Henning, een hoofdrol bij de introductie van het turnen rond 1870. Niet veel later, tijdens de eerste moderne Spelen van 1896 in Athene, won de Griek Ioannis Mitropoulos de gouden medaille aan de ringen. Op deze prestatie volgde geen popularisering van het turnen in Griekenland. De veronderstelling dat successen in een sport tot groei van beoefenaren aanzetten, berust trouwens volgens sportsociologen toch op een misverstand. Alleen de passieve belangstelling kan toenemen.

Niet bekend