Klacht over barrières bij China-handel

DEN HAAG, 30 JULI. De groothandel klaagt over onnodige administratieve belemmeringen van de handel met China. Het Nederlands Verbond van de Groothandel heeft daarover een brandbrief gestuurd aan staatssecretaris Van Dok (Economische Zaken).

De totale waarde van de import van zogeheten non-textiele goederen uit de Volksrepubliek China sinds 1993 met twintig procent teruggelopen van 3,5 miljard gulden tot 2,8 miljard gulden vorig jaar. Dat komt door de in 1994 ingestelde quotaregeling voor de lidstaten van de Europese Unie, maar vooral ook door de administratieve belemmeringen in Nederland, die voor de handel een aantal 'structurele barrières' opwerpen, aldus het verbond. De instelling overkoepelt 85 organisaties, die op hun beurt de belangen van naar schatting 40.000 tot 45.000 kleinere en grotere handelsondernemingen behartigt.

De quotamaatregel voor niet textiele goederen - voor textiel geldt een andere regeling - maakt deel uit van de 'stille handelsoorlog' die de EU voert tegen China, dat niet is aangesloten bij de Wereld Handelsorganisatie (WTO). Op die manier moet China worden gedwongen om te gaan voldoen aan de eisen die toetreding tot de organisaties vergt.

“De quota-regeling omvat produkten als glas- en aardewerk, speelgoed, kerstartikelen, maar bij voorbeeld ook een maximum van 4,5 miljoen auto-radio's, die van een Europees merk kunnen zijn, maar in China worden gefabriceerd,” aldus mr. H.J.J. Kruiper, secretaris van het verbond.

Op grond van een ênquete onder bijna de helft van de 600 Nederlandse bedrijven die actief zijn in de handel met China stelt het NVG vast dat het vooral mankeert aan informatie-voorziening over het quota-systeem. Gebleken is dat de importeurs voor slechts 50 procent hun informatie over de quota krijgen van de Centrale Dienst In- en Uitvoer, die in Groningen zetelt. “Gezien de functie van deze dienst zou gevoeglijk mogen worden aangenomen dat de CDIU fungeert als de bron van informatie voor alle importeurs die goederen uit China importeren,” schrijft het Verbond aan Van Dok. In de praktijk echter blijkt die informatie-voorziening zo slecht dat de bedrijven bij elkaar te rade gaan of zich genoodzaakt zien direct met Brussel contact op te nemen. Antwoord op een vraag als hoeveel er nog van een quotum resteert komt doorgaans te laat, meent zestig procent van de importeurs. Dat maakt het onmogelijk adequaat te reageren, meent het Verbond. Bedrijven zijn daardoor niet of nauwelijks in staat behoorlijke contracten af te sluiten, die meestal over een langere termijn lopen. De mogelijkheid om in te schrijven voor een restquotum meldt de dienst bijvoorbeeld daags voor de sluiting daarvan. “Deze handelswijze van de Nederlandse overheid miskent het specifieke karakter van de internationale handel. Immers, de activiteiten in deze branche worden bij uitstek gekenmerkt door middellange en lange termijncontracten.”

Uit de ênquete blijkt dat de bedrijven gemiddeld zes mensuren per maand moeten besteden aan het vergaren van noodzakelijke informatie. “Dat is erg veel,” zegt Kruiper, “zeker als je bedenkt dat het hier vaak om bedrijven gaat met slechts een paar werknemers.”