Een tweede 'sociale' privatiseringsgolf komt eraan

De overheid stoot in gestaag tempo steeds meer eigen diensten en aanverwante sectoren af. Wat zijn de gevolgen? Wordt de aangeboden waar goedkoper in BV Nederland? Vandaag: de geschiedenis.

DEN HAAG, 30 JULI. De Nederlandse Spoorwegen zijn voornemens 'onrendabele' lijnen af te stoten. Voor een zelfstandige onderneming als het spoorwegbedrijf brengt de lijn tussen Heerlen en Kerkrade nu eenmaal te weinig geld in het laatje, aldus de NS. Directeuren van de diverse instellingen voor thuiszorg spreken al lang niet meer van patiënten. De bejaarde wiens open wonden moeten worden verzorgd, heet tegenwoordig een 'cliënt'. En de boer kan, aan de vooravond van zijn bietenoogst, bellen met een speciaal nummer van het KNMI over mogelijk vorstgevaar.

Op de golven van de tijdgeest begon Nederland begin jaren tachtig met de privatisering van allerlei overheidsactiviteiten. Het kabinet Van Agt-Wiegel (1977-1981) liet in ouderwets ambtelijke stijl lange lijsten opstellen van activiteiten die in aanmerking kwamen voor verzelfstandiging, afstoting of uitbesteding - de drie gedaanten waarin privatisering zich voordoet. Aan dit streven lag een financieel-economische doelstelling ten grondslag.

Het kabinet Van Agt/Wiegel had zich voorgenomen om 10 miljard gulden op de overheidsuitgaven te bezuinigen. Het afstoten van staatsbedrijven en daarbij betrokken ambtenaren leek een probaat, niet al te pijnlijk middel. De ambtenaren gingen aan de slag en rapporteerden augustus 1982 over in totaal 110 activiteiten die voor privatisering in aanmerking kwamen. Een Interdepartementale Begeleidingscommissie Privatisering (IBP) moest het privatiseringsproces coördineren. Het kabinet Van Agt/Wiegel kon er de vruchten niet meer van plukken en sloot de boekhouding af met 10 miljard gulden overschrijding in plaats van de gehoopte 10 miljard bezuiniging.

De nieuwe roerganger Lubbers nam in 1983 het estafettestokje over. Na rijp beraad werden over achttien te privatiseren activiteiten (principe-)besluiten genomen. Daarvan was eind jaren tachtig een tiental uitgevoerd. Anders dan in Groot-Brittannië, waar de in 1979 aan de macht gekomen iron lady Thatcher ideologisch opereerde, gingen de achtereenvolgende kabinetten Lubbers instrumenteel en pragmatisch te werk. De te privatiseren overheidsactiviteiten waren geen onderwerp van een verhit debat. In verreweg de meeste gevallen ging het louter om het verhangen van bordjes. Staatsbedrijven werden juridisch omgevormd tot naamloze vennootschappen waarvan de overheid alle aandelen had. Verzelfstandiging heet deze vorm van privatisering.

De volgende stap in het proces was vaak het geheel of gedeeltelijk afstoten van deze deelnemingen. Zo verkocht de staat begin jaren tachtig onder meer aandelen KLM (de nationale luchtvaartmaatschappij) en DSM (de voormalige Staatsmijnen). Dit ging vrijwel in alle gevallen zonder problemen en klachten, omdat de betreffende bedrijven opereren in een concurrerende omgeving. Eind 1994 nam de staat nog steeds voor ruim 7,2 miljard gulden deel in ondernemingen.

Door verzelfstandiging en afstoting van staatsbedrijven kregen in de tweede helft van de jaren tachtig meer dan honderdduizend ambtenaren de werknemersstatus. De grootste privatiseringsprojecten waren de verzelfstandiging van de Postbank (1986, 10.500 werknemers), het facilitair bedrijf van de Nederlandse Omroep Stichting (1988, 3.000 werknemers) en de PTT (1989, 90.000 werknemers). De derde vorm van privatisering, uitbesteding, nam niet zo'n herkenbare vlucht. Wel werden schoonmaakdiensten, catering en andere secundaire activiteiten uitbesteed, maar daarin verschilde de staat niet wezenlijk van het bedrijfsleven.

Niet alleen de rijksoverheid privatiseerde. Ook gemeenten en provincies verzelfstandigden activiteiten of besteedden die uit (voorbeeld: vuilophaaldiensten). Naarmate het einde van het decennium naderde, begon de privatiseringsmachine echter te haperen. Het ging bij verzelfstandiging steeds vaker om bedrijven die opereerden in een situatie van onvolledige concurrentie, of die zelfs een monopoliepositie hadden: het Loodswezen, het IJkwezen, de Staatsloterij, het Kadaster.

Vanuit de markt kwamen klachten over oneerlijke concurrentie. Bovendien rees de vraag of de gemeenschap financieel wel zo goed af was met al die verzelfstandigingen, afstotingen en uitbestedingen. Daar waar verzelfstandigde staatsbedrijven weinig hinder ondervonden van concurrenten werden directie- en andere salarissen steevast opgeschroefd. Directeuren van die nieuwe ondernemingen kregen maandelijks meer op hun giro gestort dan de minister-president. Hogere salarissen leidden vanzelfsprekend tot hogere kosten, maar die konden in een (semi-)monopoloïde situatie gemakkelijk worden doorberekend aan de klant (niet zelden de overheid).

Al in 1989 constateerden onderzoekers dat gemeenten, die de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen hadden uitbesteed, hun kosten sneller zagen stijgen dan gemeenten die de inzameling in eigen beheer hielden. Uitbestedende gemeenten bleken vrijwel nooit van contractpartner te wisselen; de prijzen gingen omhoog.

In sommige tot voor kort monopoloïde structuren bloeit sinds kort wat concurrentie op. Zo kan de NV Verenigd Streekvervoer Nederland, waarvan alle aandelen in handen zijn van de staat, zich sinds kort spiegelen aan het Amerikaanse openbaar vervoerbedrijf Vancom, dat sinds 1994 enkele buslijnen in Limburg en Groningen exploiteert.

Daarentegen is 'stroomshoppen' pas over tien jaar mogelijk, zo schatten de energiebedrijven. Het laatste woord over het al dan niet voortbestaan van het publieke omroepbestel is evenmin gezegd. En ook al is het grootste pensioenfonds van Nederland, het ABP, sinds 1 januari 1996 officieel geprivatiseerd, dat zegt niets over de verdere liberalisering van het pensioenstelsel. De privatiseringsgolf, die begin jaren tachtig met veel studie en plannenmakerij begon en eind jaren tachtig haar hoogtepunt beleefde, heeft sindsdien aan kracht en snelheid verloren, zo lijkt het.

Over die eerste economische privatiseringsgolf heen raast sinds het aantreden van het kabinet Kok in 1994 echter een tweede, die in tegenstelling tot de eerste wél een politiek-economische onderbouwing heeft. Het is de privatisering van de verzorgingsstaat; met name het vervangen van sociale verzekeringen door particuliere verzekeringen en meer marktwerking in de gezondheidszorg.

Over de dieperliggende gedachte achter de privatisering van de verzorgingsstaat zei minister Melkert (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) onlangs: “De publieke arrangementen zijn vervet”. De band tussen betalen (van een verzekeringspremie) en genieten (van een uitkering) is verdwenen. Dat leidt volgens de PvdA-bewindsman tot extra kosten in de vorm van een onnodig groot beroep op uitkeringen wegens ziekte, arbeidsongeschiktheid. Door op groter schaal private organisaties (met name particuliere verzekeringsmaatschappijen) in te schakelen wil Melkert weer een duidelijke relatie leggen tussen “het jezelf verzekeren voor een bepaald risico en het ervaren van dat ricico”.

Een evaluatie van deze tweede sociale privatiseringsgolf - de transformatie van de verzorgingsstaat in een verzekeringsstaat - is nog niet voor handen. Volgens sommigen leidt privatisering van de verzorgingsstaat tot selectie van werknemers, een 21ste eeuwse variant op Darwins survival of the fittest.

Anderen, zoals Melkert, onderstrepen de financieel-economische voordelen van sociale privatisering. Het publieke debat hierover zal voor de eeuwwisseling niet zijn afgerond. Burgers, die de gevolgen van privatisering aan den lijve ondervinden, zullen bij de Kamerverkiezingen van 1998 (of eerder als het kabinet struikelt over bij voorbeeld meer marktwerking in de WAO) hun voor- of afkeur kenbaar kunnen maken.

    • Frank van Empel