Dagboeken en betoverde bloedworst

Marie Brantôme: Na alles wat we voor jou gedaan hebben. Vert. Majo de Saedeleer. Uitg. Houtekiet/Fontein, prijs ƒ 32,50

Wat je te lezen krijgt, is een dagboek, het dagboek van een meisje dat zich erg ongelukkig voelt. Dat trouwens ook erg ongelukkig is. Op het moment dat het dagboek begint, is haar kleine zusje van zes nog niet zo lang dood. Ze is onder een tram gekomen en elfjarige May vindt dat zij daar schuld aan heeft, ook al waren haar moeder en haar oudere broer er ook bij. Zij had beter moeten opletten. Met de dood van het kleine zusje is alle vreugde uit het gezin verdwenen, als die er al ooit was. May herinnert zich soms wel dat het vroeger anders was, dat ze meer bij elkaar hoorden, dat er meer verstandhouding was, maar heel mooie of gelukkige herinneringen aan vroeger heeft ze toch ook niet. Eigenlijk alleen aan het kleine zusje, op wie ze dol was. Maar die is dood.

Na alles wat we voor jou gedaan hebben van de Franse schrijfster Marie Brantôme, die onder een andere naam een bekende romanschrijfster moet zijn, doet aan als een echt dagboek. Het zou begonnen zijn in de zomer van 1951 en het eindigt met kerstmis 1954. Achterin staat een aantekening uit 1994, van Marie Brantôme: “Toevallig viel uit een bergplaats van de kindertijd dit dagboek van een kleine weduwe in mijn handen. Vergeelde bladen en bruine inkt. Een grootse veldtocht tegen het onnoemelijke.” Zo'n wat plechtstatige aantekening kan gemakkelijk gelogen zijn, maar er is iets in de stijl van het boek - en ook soms in de details, die erg jaren vijftig zijn zonder dat daar de nadruk op gelegd wordt - dat het geheel een authentieke glans geeft. Misschien is dit dagboek wel het dagboek van de kleine Marie Brantôme zelf, dat zij nu enigszins heeft bewerkt om het voor publiek geschikt te maken. Het doet er ook niet zo toe - wat er maar mee gezegd wil zijn is dat dit boek waarachtig klinkt.

Ook vaak waarachtig geëxalteerd trouwens, zoals jonge meisjes, zeker eenzelvige, kunnen zijn. Met hoogdravende zinnen over het leven en vooral over het verlangen om niet meer te leven en afstand te nemen van alles en iedereen: “Afstand nemen. Doe ik dat niet al ...jaren? Sinds jij er niet meer bent, Mimi, om je aan me vast te klampen, om me aan de aarde te binden.” Steeds weer benadrukt May haar ongeluk en geregeld herhaalt ze haar besluit: ze zal op haar vijftiende zelfmoord plegen. Want het leven heeft haar na de dood van zusje Mimi, niets meer te bieden.

Dat is puberale overdrijving, en tegelijkertijd is het dat niet. Want May groeit op in een liefdeloos gezin, met een moeder die haar niet mag en die veel meer gesteld is op de broers, van wie de oudste het huis al uit is, de andere is een ruw rotjoch. Haar vader leeft sterk in zijn eigen wereld en als hij door een verloren proces al zijn geld verliest wordt zijn betrokkenheid bij zijn kinderen niet bepaald groter. Toch vertegenwoordigt hij nog wel wat voor May, iets echts, een moraal en een interesse waar ze zich bij voelt horen, in tegenstelling tot bij de klagerige oppervlakkigheid van haar moeder. Maar hoe dan ook is ze in het gezin heel alleen, en erg verwaarloosd, zowel materieel als emotioneel. Een strenge stelregel zowel van vader als van moeder is dat er niet tegen de buitenwereld gesproken mag worden over hoe het er thuis aan toegaat. En daar houdt May zich aan, ze kan waarschijnlijk niet anders. Het maakt haar nog eenzamer.

De doodsdrift van May is dus begrijpelijk en overdreven tegelijk en in haar dagboek zien we haar soms ook heen en weer zwalken. Het leven, zelfs dat armzalige van haar, is af en toe toch sterker dan het verlangen er niet meer te zijn. May's vitaliteit en haar kinderlijkheid worden gemakkelijk gewekt als ze maar even kan ontsnappen aan haar eigen en andermans onverschilligheid. Zo gaat ze bij voorbeeld helemaal op in een wraakneming op de slager die geprobeerd heeft haar aan te randen, wat hij met alle meisjes probeert. Met een vriendinnetje gaat ze naar 'een heks', die de meisjes een betoverde bloedworst meegeeft waarmee ze om middernacht het huis van de slager kunnen bekladderen. May neemt het wel en niet serieus, maar ze heeft er hoe dan ook veel inspanning voor over om deze wraakoefening uit te voeren. Dan is ze een poos lang een gewoon en zelfs hevig levend meisje met iets te wijze, iets te oude taal voor haar leeftijd - wat ook bij haar past.

Met die taal is overigens wat mis, die doet door de eigenaardige vertaling wel heel vreemd aan. Vertaalster Majo de Saedeleer is onmiskenbaar een Belgische, wat talloze vlamismen oplevert (“Zoniet, vliegt ze uit tegen mijn vader”), maar dat is tot daar aan toe. Het boek wemelt verder van mislukt Nederlands en dat heeft het niet verdiend. Het maakt May's verhaal onnodig houterig.

Dat het boek desondanks opmerkelijk is, komt door de overtuigende toon van Brantôme. Je wilt May soms door elkaar rammelen, soms redden en koesteren - maar ze laat je niet onverschillig in haar wanhoop die ze zo dapper en moedeloos tegelijk probeert te bestrijden door erover te schrijven.