Bedrijven nemen patent op genetisch materiaal van mensen

Op de patentbureau's in Europa, Japan en Amerika liggen duizenden patentaanvragen op genen, menselijke cellen, planten en dieren. Maar de morele problemen die octrooiering van biotechnologische uitvindingen oproept, zijn nog lang niet zijn opgelost.

Stel je voor. Een groep mensen - zieken die meedoen aan een medische test, Indianen die worden bezocht door antropologen, of dorpelingen nabij een kerncentrale - gaat akkoord met het geven van bloedmonsters. De onderhandelingen verlopen op dat moment nog vriendelijk. De zieken krijgen de belofte dat het medisch onderzoek bijdraagt aan het vinden van therapieën, de Indianen krijgen hulp bij het bouwen van een school, en de dorpelingen krijgen de verzekering dat ze in geval van genetische schade worden geholpen.

Drie jaar later verkopen de onderzoekers de rechten op de bloedmonsters voor twintig miljoen gulden aan een farmaceutisch bedrijf. (Dat is niet veel: de rechten op één gen betrokken bij vetzucht, werden vorig jaar verkocht voor negentig miljoen dollar). Het farmaceutisch bedrijf onderzoekt het genetisch materiaal, patenteert de interessante genen en verdient aan de DNA-testen en medicijnen die ze met deze informatie ontwikkelt honderden miljoenen guldens.

Wat doen de bloeddonors? De Indianen eisen een deel van de winsten, de zieken willen alleen nog gratis behandeld en de verontwaardigde dorpelingen spannen een proces aan tegen de onderzoekers.

Het afschrikwekkend voorbeeld, afkomstig van de journalist David Dickson in het wetenschapsblad Nature van 2 mei, illustreert het dilemma rond de patentering van genetisch materiaal. Wat altijd - zoals dat in VN-kringen heet - 'gemeenschappelijk bezit van de mensheid' was, wordt steeds meer 'bezit' van de farmaceutische en biotechnologische bedrijven. De bedrijven zeggen dat ze de kosten voor onderzoek en modificatie van genetisch materiaal alleen kunnen terugverdienen met een patent op de gevonden genen en op de planten en dieren die ze met die kennis manipuleren. Een patent op een menselijk gen, betekent dat een ander bedrijf moet betalen als het die duur verkregen informatie wil gebruiken voor het ontwikkelen van een DNA-test of medicijn. Een patent op een gemanipuleerde, ziekte-resistente plant, betekent dat boeren het zaad ervan niet meer kosteloos mogen vermeerderen. En een patent op een gemanipuleerde, kankergevoelige muis, betekent dat geen laboratorium zonder toestemming van de octrooihouder, de muis en de nakomelingen commercieel mag gebruiken, bijvoorbeeld voor het testen van kankergevoelige stoffen of voor het maken van andere muizen.

“Er komen nauwelijks nog patentaanvragen op klassiek chemische technieken zoals fermentatie”, vertelt dr J.A. Descamps, hoofd van de biotechnologie-afdeling van het Europees patentbureau in Rijswijk. “Wat binnenkomt zijn patentaanvragen op DNA-chemie.” Het aantal patentaanvragen op dieren loopt volgens Descamps tegen de honderd, op planten tegen de duizend en op menselijke cellijnen schat hij dat het er veel meer zijn. De groei in biotechnologische patentaanvragen is twintig tot dertig procent per jaar.

Niet bekend

Niet bekend

Desondanks zet patentering van genen zich wel door. Volgens een commentaar in Nature (4 april) hebben de patentbureau's in Japan, VS en Europa gezamenlijk meer dan duizend patenten op genen toegekend aan zo'n 300 bedrijven en instituten. De octrooihouders komen voornamelijk uit Japan en Amerika, maar ook het Pasteurinstituut in Parijs en Ciba Geigy in Zwitserland bezitten patenten op genetische informatie van mensen. Rolland: “Het tij is niet meer te keren. In Engeland en Amerika zitten heel efficiënte bedrijven die DNA ontrafelen. Daar kun je met overheidsonderzoek niet meer tegenop. En onderzoekers beginnen het niet meer zo erg te vinden. Ze wennen aan de gedachte dat bedrijven alleen winst kunnen maken als ze octrooien krijgen. De besten stappen over naar het bedrijfsleven. Daar krijgen ze een andere visie.”

In mei startten vrouwengroepen in Amerika een campagne tegen de patentverlening op het zogeheten BRCA1 gen, betrokken bij borstkanker. De vrouwen willen hun 'genetische privicy beschermen'. Ze vrezen bovendien dat verzekeringsmaatschappijen afgeleide DNA-testen op borstkankergevoeligheid, gebruiken om hogere premies te vragen.

Beladen is ook de patentering van menselijk materiaal, afkomstig van inheemse groepen. De Canadese actie-groep RAFI (Rural Advancement Foundation International) verzette zich vorig jaar tegen een patent op een menselijke cellijn van de Hagai-bevolking in Papoea Nieuw Guinea en verleend aan het Nationaal Institute of Health (NIH) in de VS. Het celmateriaal bevat het menselijk HTLV-1 virus van wie de erfelijke code mogelijk leidt tot een medicijn voor virusziektes als leukemia. De Hagai hebben het gevoel dat hun genetisch materiaal 'geroofd' is, en de octrooihouder heeft nu beloofd dat de Hagai-bevolking mag meedelen in de winst.

RAFI verwacht een stroom van patentaanvragen op genetisch materiaal van inheemse stammen. Voor genetici zijn zij interessant, omdat schadelijke DNA-afwijkingen in geïsoleerde populaties gemakkelijker zijn te traceren dan in bevolkingsgroepen die zich voortdurend mengen. De vraag of, en zo ja hoe inheemse groepen moeten worden gecompenseerd voor hun genetisch materiaal, wordt daarmee dringender. Regeringen zijn zich inmiddels ook van die kwestie bewust. India is bezig met richtlijnen inzake de uitvoer van genetisch materiaal. “Ik stuur geen bloedmonsters meer naar Amerika tot onze regering haar standpunt heeft bepaald”, aldus de Indiase geneticus prof Madhav Gadgil in Nature. Voorheen was Gadgil gewend aan vrije uitwisseling van materiaal met Westerse genetici. Maar nu, met de toenemende patentering op menselijk materiaal, staat zulke vrije uitwisseling onder druk.

Ook in landbouwkundige kringen heerst bezorgdheid over de inperking van de vrije uitwisseling. “De landbouw kent het kwekersrecht”, verklaart veredelaar dr. ir. J. Hardon, directeur van de Genenbank in Wageningen. “Dit gaat uit van het algemeen belang dat de collecties rassen in de wereld vrij beschikbaar zijn en het erkent de onderlinge afhankelijkheid waar het gaat om het gebruik van rassen. Natuurlijk mag een ras met kwekersrecht niet zomaar worden verkocht. Maar een kweker is wel vrij om de eigenschappen ervan in andere rassen te zetten. Voor kruisingen met gepatenteerde planten moet de octrooihouder eerst toestemming geven. Daarmee botst de agrarische filosofie met de industriële filosofie. De industrie heeft geen boodschap aan onderlinge afhankelijkheid.”

Als overheden niet ingrijpen, vreest Hardon, gaat de industriële filosofie het winnen. En dat kan zelfs de voedselvoorziening bedreigen: “Stel, iemand zet genen in een ras waardoor deze resistent wordt tegen een zeer schadelijke ziekte. Dan is het ongelooflijk belangrijk dat die eigenschap zich heel snel ook over andere rassen verspreidt en dat iedereen, ook een klein bedrijf, zo'n gen meteen kan inzetten. Om die reden zouden overheden bedrijven tenminste via een dwanglicentie moeten kunnen verplichten de rechten op toepassingen te verkopen wanneer dat in het algemeen belang is.”

Patenten zijn ingesteld om het onderzoek te stimuleren, voegt Hardon toe. Maar kleine veredelingsbedrijven trekken zich uit onderzoek terug wanneer ze weten dat grote bedrijven met iets soortgelijks bezig zijn: “Het gaat er niet om dat biotechnologie-bedrijven niet moeten worden beloond. Maar het patentstelsel moet voor de biotechnologie worden aangepast. Patenten moeten contracten blijven tussen samenleving en bedrijfsleven. En patentbureau's moeten daarover steeds weer, namens de samenleving onderhandelen. Momenteel dreigen patentbureau's teveel een verlengstuk van het bedrijfsleven te worden.”

Compensatie aan de leveranciers van genetisch materiaal is binnen de VN-voedselorganisatie FAO al jarenlang een conflictpunt. Sinds de Derde wereld zich geconfronteerd ziet met de dure zaden van de Westerse veredelaars, wil zij betaling voor de tropische rassen en wilde verwanten die het Westen al eeuwenlang gratis meeneemt voor veredeling en gebruik.

Sommige bedrijven betalen sinds kort regeringen of bevolkingsgroepen voor hun planten. Maar dit soort bilaterale contracten zijn erg omstreden. Critici zien liever niet dat individuele stammen, instituten of regeringen met geld of winstaandelen worden beloond, want ook zij hebben de rassen vaak weer van anderen gekregen. In juni boog de FAO zich in Leipzig opnieuw over deze kwestie. De VN-organisatie wil de genenrijkdom blijven zien als 'gemeenschappelijk bezit van de mensheid' en eén van de voorstellen was dan ook de tropische landen gezamenlijk te compenseren met een progressieve vorm van landbouwkundige hulp, waarbij veredelaars nauw samenwerken met de lokale bevolking en waarbij tegelijkertijd het genetisch materiaal in het veld wordt behouden.

Over het geld voor deze compensatie bereikte men echter geen overeenstemming. Derde wereldgroepen stellen wel voor dat landen die veel verdienen aan de zaadindustrie (zoals Nederland, die hier jaarlijks drie miljard aan verdient) tien procent van de winst in een fonds hiervoor steekt. Maar noch de regeringen, noch de bedrijven, lijken zin te hebben zo'n fonds te vullen.

Het EU-parlement heeft nog steeds geen ja gezegd tegen een richtlijn voor patenten op menselijke cellijnen, dieren en planten. Tot grote frustratie van het Europees patentbureau dat al die honderden aanvragen behandelt. Woordvoerder Descamps: “Er kunnen nu twee dingen gebeuren. Of de EU komt binnenkort met een duidelijk directief. Of de octrooiraad komt met duidelijke uitspraken en die gaan dienen als jurisprudentie.”

Sinds 1989 zijn in Europa acht patenten verleend op een plant of dier. Actiegroepen verzetten zich hiertegen tevergeefs, tot ze vorig jaar februari onverwacht een beroep tegen een patent op een koolzaad wonnen. De raad van beroep verwees hierbij echter niet naar de regel dat een patent ethisch aanvaardbaar moet zijn, zoals de aanklagers deden, maar naar de regel dat een patent op een ras niet kan omdat deze valt onder het kwekersrecht. En een plant, vond de raad, is een verzamelijk rassen. Nu is er verwarring alom. Eerder had de octrooiraad immers wel patenten op planten en dieren legitiem gevonden.

Voor een aantal biotechnologie-bedrijven heeft de uitkomst flink wat financiële consequenties. Natuurlijk kunnen bedrijven met een patent op alleen een nieuwe DNA-techniek een investering ook terugverdienen. Het recht op toepassing kunnen ze verkopen aan veredelaars. Maar met ook nog een patent op de gemodificeerde planten of dieren zelf, krijgen ze bovendien betaald voor alle nakomelingen.

In het somberste scenario van de critici grijpen overheden niet in, is straks patentering van menselijk materiaal, planten en dieren heel gewoon en wordt grootschalige verspreiding van belangrijke vondsten niet afgedwongen. Er zijn een paar lichtpuntjes. Patenten lopen na zeventien jaar af. Illegale vermeerdering zal vaak niet opvallen. En bedrijven zorgen er, gesteund door een groeiend leger van octrooi-juristen, zelf wel voor dat het niet uit de hand loopt met de vorming van monopolie-posities.

Stellen overheden internationaal wel paal en perk aan patentering, dan betekent dit anderzijds ook niet de doodsteek voor de biotechnologie-industrie. Wel zullen alleen de bedrijven overleven die met echt vernieuwende DNA-technieken komen en die patentering op planten, dieren of menselijk materiaal niet nodig hebben.

Het belangrijke onderzoek dat blijft liggen of niet openbaar wordt gemaakt, kunnen overheidsinstituten oppakken. “Als overheden vanaf het begin een vuist hadden gemaakt en de complete ontrafeling van het menselijk DNA hadden gefinancierd”, zegt geneticus Rolland spijtig, “was octrooiering van menselijke genen niet nodig geweest”.

Tenslotte vraagt compensatie aan de leveranciers van genetisch materiaal, volgens de ideeën van de FAO, eveneens investeringen. Maar dan in medische en landbouwkundige hulp die is gericht op de behoeftes van de vaak arme, lokale bevolking in tropische landen. “In het onderzoek heerst nu het credo van de markteconomie”, ervaart veredelaar Hardon, “Daar hoort een sterke overheid bij. Zij moet investeren in het belangrijke onderzoek dat de biotechnologie-bedrijven laten liggen.”