Verzekeraars moeten zich eerst maar bewijzen

Begin dit jaar lekte via - FNV Magazine - het lobbyplan uit dat het Verbond van Verzekeraars had opgesteld om de verplichte aansluiting van werkgevers bij een bedrijfstakpensioenfonds te torpederen. De verzekeraars pleiten voor grotere vrijheid voor bedrijven om zelf de pensioenvoorziening voor hun personeel in te richten.

Het kan beter, goedkoper en minder bureaucratisch als de vrije markt ook hier zijn werk zou doen. Dat is, kort gezegd, de boodschap. De verzekeraars hebben er wel trek in. Het gaat om het beheer van 150 miljard gulden vermogen (exclusief 200 miljard van het ambtenarenpensioenfonds ABP), 6 miljard gulden pensioenpremies per jaar en 2,5 miljoen werknemers als potentiële nieuwe klanten voor verzekeringsprodukten.

De verzekeraars wilden naast diverse media (Nova, NRC HANDELSBLAD, het Financieele Dagblad) ook enkele economisch-politieke columnisten, waaronder de hoogleraar E. Bomhoff, warm maken voor het onderwerp. En al viel het lobbyplan door de vroegtijdige publicatie in duigen, bij Bomhoff is de vonk overgesprongen, getuige zijn column vorige week in deze krant waarin hij zich achter het standpunt van de verzekeraars schaart.

Met een beroep op “een zuivere rechtsstaat” schuift Bomhoff een “pamflet” van de PvdA over de betaalbaarheid van de AOW terzijde, krijgen “de” pensioenfondsen lik op stuk vanwege suf beleggingsbeleid en rest slechts één vraag. Waarom mogen “gerenommeerde” verzekeraars op de pensioenmarkt niet concurreren met pensioenfondsen om de gunst van de werknemer?

Het antwoord is simpel: zij doen het al, maar uit hun resultaten blijkt niet dat zij het duidelijk beter doen dan pensioenfondsen. Bomhoff suggereert ten onrechte dat de verzekeraars van de pensioenmarkt zijn uitgesloten. Niets is minder waar. De pensioenmarkt valt in drie grote lagen uiteen. De bodem is de AOW, de basisverzekering die wordt beheerd en uitgevoerd door de overheid. Daarbovenop komt het pensioen dat gekoppeld is aan de arbeidsrelatie tussen werknemer en werkgever. De derde laag is het aanvullende pensioen, dat werknemers geheel naar eigen inzicht mogen opbouwen. Deze markt is (met bijvoorbeeld koopsompolissen) vrijwel volledig in handen van verzekeraars, al zijn er steeds meer banken en pensioenfondsen die zelf verzekeraars oprichten om zulke polissen ook te verkopen.

De verzekeraars willen dieper penetreren in de pensioenmarkt die de werkgevers en werknemersvertegenwoordigers samen uitvoeren. Een paar honderd bedrijven zijn groot genoeg om een eigen ondernemingspensioenfonds te hebben, met een pensioenregeling die minimaal gelijk moet zijn aan die van de bedrijfstak. De overige werknemers en bedrijven zijn aangesloten bij bedrijfstakpensioenfondsen die de pensioenvoorziening voor een hele sector uitvoeren, zoals de bouw of de metaalnijverheid.

De verplichte aansluiting bij een bedrijfstakpensioenfonds verhindert ondernemers vrije jongens te worden die met een lage of helemaal geen pensioenvoorziening concurreren met andere bedrijven. In die zin beperkt de regeling de concurrentie tussen bedrijven, en daarom was voormalig staatssecretaris Linschoten (VVD) van Sociale Zaken, het departement dat politiek veranwoordelijk is voor het pensioenstelsel, wel geporteerd van liberalisatie van de verplichte deelname van werkgevers.

De vrijheid van de ondernemer heeft echter zijn nadelen voor de werknemer: er is geen vangnet, zoals in een bedrijfstakpensioenfonds. DAF en Fokker gingen failliet en daar betalen de werknemers de prijs voor het feit dat het pensioenfonds minder geld in kas heeft dan nodig is om later aan alle verplichtingen te voldoen.

Bij de ondernemingspensioenfondsen hebben de verzekeraars al sinds jaar en dag vaste voet aan de grond. Zij beheren miljarden guldens vermogen voor bedrijven met een ondernemingspensioenfonds. Doen zij dat goedkoper dan bedrijfspensioenfondsen? Studies daarnaar leveren geen eenduidig beeld. Maken zij meer rendement dan de bedrijfspensioenfondsen? Dat is twijfelachtig. Het rendement dat de verzekeraars op de pensioenbeleggingen maken (10,9 procent) is de afgelopen vier jaar iets hoger dan wat een groep, overigens niet maatgevende pensioenfondsen gemiddeld behaalde (10,5 procent).

De beleggingen zelf zijn echter nog suffer, om Bomhoffs terminologie te gebruiken, dan van die pensioenfondsen. Verzekeraars beleggen nog conservatiever dan de pensioenfondsen, die hierin een naam te verliezen hebben. De verzekeraars beleggen meer in risicoloze effecten met een vaste rente, zoals obligaties (82 procent van het vermogen tegenover 58 procent bij pensioenfondsen). De pensioenfondsen zijn juist bezig met een drastische verlegging van hun kapitaalstromen: meer in aandelen van bedrijven, minder in effecten met een vaste rente. Aandelenbeleggingen stimuleren de groei van het particuliere bedrijfsleven, vandaar dat minister Wijers van Economische Zaken geen kans voorbij laat gaan om daarop te hameren.

Eigenlijk verzet Bomhoff zich ook niet tegen het beleggingsbeleid, dat is slechts een stok om de hond te slaan. Vroeger was het bon ton om te klagen over het conservatisme van de pensioenfondsen, nu komt Bomhoff op de proppen met werknemers die misschien liever in obligaties beleggen dan in aandelen. Bomhoff wil af van het onderonsje tussen de werkgevers en werknemers in de besturen van de bedrijfstakpensioenfondsen vormen. Daar regelen zij hun zaken op basis van hun eigen belangen, zoals de loonruimte, de angst of durf om beleggingsrisico's te nemen en mogelijke paternalistische opvattingen over wat goed is voor de werknemers.

Bomhoffs verzet tegen deze vorm van maatschappelijk middenveld berust niet op feiten. Bedrijfspensioenfondsen inruilen voor verzekeraars is geen oplossing. Beide financiële instituten krijgen geld en vertrouwen van klanten. Dat schept de verplichting verantwoording af te leggen over gevoerd beleid, zoals de beleggingsresultaten. Dat staat in Nederland nog maar in de kinderschoenen. Voordat de pensioenrevolutie wordt uitgeroepen, is het beter eerst wat smalle marges te benutten.

Bomhoffs pleidooi om werknemers meer keuze te geven in het beleggingsbeleid van hun pensioenfonds kan een interessante impuls zijn. In Engeland heeft vrijmaking van het pensioenstelsel tot excessen geleid toen financiële adviseurs meer gedreven bleken te worden door hoge provisies dan door goede dienstverlening en correcte voorlichting en advisering. Eén consequentie van liberalisatie lijkt daarom onvermijdelijk: nieuwe regelgeving om de consumenten/werknemers te beschermen tegen onjuiste, onvolledige of malafide voorlichting van financiële dienstverleners.

Of grotere keuzevrijheid ook goed is voor de Nederlandse economie is de vraag. Wellicht beleggen individuen nog conservatiever en/of grilliger voor hun oude dag dan verzekeraars en pensioenfondsen.

    • Menno Tamminga