Succes op koningsnummer vier jaar geleden gepland; Roeien voor het vaderland

ROTTERDAM, 29 JULI. Nico Rienks maakt al vijftien jaar een miljoen halen per jaar. De bekroning van zijn trainingsarbeid werd gisteren de gouden olympische medaille met de Holland Acht op het koningsnummer van het roeien. De acht was de afgelopen twee jaar tweede geworden op het wereldkampioenschap. Maar in de enige echt belangrijke finale won het Nederlandse vlaggenschip van Duitsland, Rusland, Canada, de Verenigde Staten en Australië - voorwaar geen kleine roeinaties.

De Holland Acht was een experiment. Na het teleurstellend verlopen roeitoernooi op de Spelen van 1992 besloot een aantal veteranen het een jaartje samen te proberen. Ze zetten individueel succes opzij voor het collectief. In de skiff of in een twee roei je voor jezelf, in de acht voor het vaderland.

Nederland is een land met roeitraditie. Het staat ongeveer tiende op de ranglijst aller tijden. Maar de medailles vielen in 'kleine' nummers. Jan Wienese won goud in de skiff in 1968. Rienks en Ronald Florijn wonnen goud in de dubbeltwee in 1988 in Seoul. Rienks en Henk Jan Zwolle behaalden in hetzelfde nummer brons in 1992.

De acht vraagt om een combinatie van techniek, ervaring, inzicht en power. Maar Nederland had niet zoveel kerels van 1.95 meter lang, meer dan 90 kilo zwaar, een bootgevoel van minimaal tien roeijaren en een vermogen van tegen de 500 watt. Dat bleek al bij de formatie in het najaar van 1992. Een kwartet plannenmakers vroeg hun vrienden in studentensteden als Amsterdam, Delft en Rotterdam of ze in de acht wilden. Drie lieten zich overhalen, maar de achtste kwam van ver. “Als je Niels van Steenis belt, komt hij”, wist iemand. En daar was nummer acht, nog dezelfde middag met de trein uit Enschede.

Er had nog nooit een Nederlands acht een finaleplaats gehaald op een groot toernooi. “Je werd voor gek versleten”, vertelde Niels van der Zwan, een van de initiatiefnemers, in het eerste jaar. “We hadden succes in tweeën en vieren. Waarom zou je die voor een acht in de steek laten. Het risico was groot. Een acht was te grootschalig.”

Van Steenis wilde wel komen. “Iedereen had me afgeschreven”, vertelde hij vorig jaar. “Op mijn club vonden ze dat ik maar beter kon stoppen, het zou toch niets worden. Maar ik had er wel alles voor over om er een succes van te maken. Inmiddels begrijpt iedereen dat ik veel roei, want het gaat goed. Vroeger verklaarden ze me voor gek.”

Rienks, intelligent, ambitieus en serieus, is de pater familias van de Acht. Met Florijn had de pionier in 1988 de ban gebroken na twee decennia waarin alleen het Oostblok en Duitsland medailles haalden. Het duo won goud nadat het maandenlang heel hard had getraind. “Je moet achterlijk zijn om dat vol te houden”, vertelde Rienks later. “Eten, trainen en wachten. We hadden discipline. We deden meer dan het trainingsschema voorschreef. We waren fanatiek, dat maakte het bijzonder.” Trainen voor goud was een jaar lang 'dingen doen', vertelde Florijn. “Iedere dag naar Leiden, naar Amsterdam om te trainen. Zonder dat je er iets voor krijgt. Je doet een jaar lang al die gewone, simpele dingen, zodat het aan het eind iets bijzonders kan worden.”

Florijn was al 'reserve' in 1980 in Moskou; hij at zich ongans aan de gratis taartjes in het restaurant van het olympisch dorp. Rienks was er al bij op de Spelen van 1984 in Los Angeles; hij zat vooraan op de tribune toen Carl Lewis de 100 meter won. In 1988 was hun carrière al geslaagd. En na de halve mislukking van 1992, was er ruimte voor een experiment, een toegift, een revanche. Ze stelden hun maatschappelijke loopbaan nog maar eens een paar jaar uit. Vier jaar lang reden ze minimaal veertien keer per week naar de Bosbaan om anderhalf uur lang hun halen te maken.

In 1993 betaalde de stichting 'Roeien als topsport' van Rienks en Florijn de aanloopkosten. De onvermoeibare chef d'equipe Henk Hospers vond Kiwa als hoofdsponsor. En in 1994 - Florijn had een brief geschreven - adopteerde het NOC*NSF de Holland Acht als 'speerpunt-project', waardoor het geld er kwam om alle wensen te vervullen. In het roeien is de afgelopen twee jaar meer dan twee miljoen geinvesteerd.

De aanwezige kennis was al professioneel - de roeiers doen bijvoorbeeld al tien jaar lactaattesten - maar de faciliteiten werden vervolmaakt. Plotseling konden de roeiers in de winter op trainingskamp naar Spanje, kwamen er extra roeimachines in het hok langs de Bosbaan, kwamen er oefenboten, was er geld voor sportdrank na afloop en geld voor maaltijden in het restaurant. “Wat wij in 1988 voor ons tweeën hadden gecreëerd, was nu voor een grote groep beschikbaar”, vertelde Florijn.

De trainingskampen werden soms zelfs het trainingsbeest te veel. “Het komt af en toe wel een beetje mijn neusgaten uit”, vertelde Florijn in 1994 voor het WK. “Ik heb geen enkel uurtje meer vrij. Maar ik ben het gewend, ik roei al sinds mijn dertiende. Ik weet niet hoe het leven er uitziet zonder roeien.”

Het ontzag van de Nederlanders voor de machine van de machtige achten uit Duitsland, Roemenië en Amerika was al na het eerste jaar verdwenen. De debutanten wonnen in 1993 een sterk bezette wedetrijd in Luzern. De vijfde plek op het WK 1993 was teleurstellend, maar in 1994 (achter de VS) en in 1995 (achter Duitsland) behaalde de ploeg zilver. Roeien in de acht bleek hard beuken tussen start en finish. “Houdt het simpel, want roeien is simpel.” En met kleine wisselingen van de wacht (Zwolle voor Woldringh in '94, Bartman voor Van Iwaarden in '95 en Maasdijk en Simon voor Krijtenburg en Compagner dit jaar) werd de boot steeds sneller, steeds krachtiger.

Roeien is een krachtduursport, zoals schaatsen en tijdrijden op een racefiets. Sterke mannen maken ruim vijf minuten dezelfde beweging. De spieren verzuren, maar de roeiers bijten door. “Ik word wel moe”, vertelde Rienks in een vraaggesprek in deze krant. “Maar ik voel de pijn niet. Ik roei en ik kan niet meer. Ik wil harder, maar mijn benen houden op. Ik word duizelig, het wordt zwart voor mijn ogen en ik val bijna om.”

Het belangrijkste verschil tussen roeien en de meeste andere sporten op de Spelen is dat de roeiers nauwelijks geld verdienen met hun sport. Toch zal Rienks zijn zoontje niet verplicht naar tennis sturen in plaats van roeien. “Nee, want als roeier ben je verplicht om ook aan je maatschappelijke carrière te denken. Ik zanik er wel over dat dat vervelend is, maar op termijn heeft het voordelen. Want ik weet zeker dat ik op mijn veertigste nog tevreden ben met wat ik dan doe, terwijl dat niet zo is met heel veel voetballers en tennissers.”

Rienks is gaan roeien voor “het water, het ruisen, mezelf zo'n beweging aanleren - Ik ben altijd gefixeerd geweest op zo efficiënt mogelijk roeien”. Van Steenis, de belhamel van het gezelschap, had een heel andere motivering. “Ik roei om ergens goed in te zijn”, zei hij vorig jaar. “Als ik goed was geweest in mijn studie, had ik waarschijnlijk niet de behoefte gehad om iets te presteren met roeien. Prestaties zijn belangrijker dan materieel gewin. Als je roeiers de keuze geeft tussen een auto of een gouden medaille op het WK, maakt iedere roeier dezelfde keuze.”

De helft van de ploeg stopt en kan zich eindelijk aan werk en gezin wijden. Oud-roeister Harriët van Ettekoven, de vrouw van Rienks, zei op de radio nadat ze de wedstrijd had gezien. “Nou wordt hij weer gezellig.”

    • Remmelt Otten